In het coalitieakkoord komen de extra zorgkosten vooral terecht bij degenen die zorg nodig hébben, niet bij degenen die de stijgende zorguitgaven kúnnen dragen, stelt Nina Folkerts. Illustratie: Minerva illustratorengoep\Anniek Tijmes
De impact van het coalitieakkoord op kwetsbare mensen is niet te onderschatten, zegt Nina Folkerts. Als mantelzorger en journalist vreest ze de gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor mensen die afhankelijk zijn van zorg en ondersteuning.
Wie het over zorg heeft, spreekt in Den Haag volgens een vertrouwd refrein: de zorg is onbetaalbaar geworden. Vergrijzing, personeelstekorten en stijgende kosten zetten het stelsel onder druk. Hervormingen zijn nodig om de zorg betaalbaar en toegankelijk te houden.
De nieuwe coalitie bouwt in het akkoord voort op die premisse. Dat doet pijn, erkent de coalitie zelf, maar we hoeven ons geen zorgen te maken: we doen het samen en niemand zal door het ijs zakken.
Maar wie staat er eigenlijk op dat ijs?
Eigen risico stijgt
Wie het coalitieakkoord leest, ziet dat het kabinet de zorglasten ogenschijnlijk breder verdeelt. Het eigen risico stijgt naar 460 euro. Daarnaast worden eigen bijdragen ingevoerd in de wijkverpleging en de huishoudelijke hulp. Aan langdurige zorg (ouderenzorg, gehandicaptenzorg, ggz) wordt honderden miljoenen minder uitgegeven, oplopend tot een miljard euro vanaf 2031.
Maar die rekening wordt niet door iedereen gelijk betaald. Wie weinig zorg nodig heeft, kan de meeste kosten vermijden of ervaart ze hooguit incidenteel. Voor mensen die structureel zorg nodig hebben – denk aan mensen met een beperking, (chronisch) zieken en veel ouderen - bestaat die keuze niet of nauwelijks.
In het akkoord komen de extra zorgkosten daardoor vooral terecht bij degenen die zorg nodig hébben, niet bij degenen die de stijgende zorguitgaven kúnnen dragen. Zij krijgen te maken met hogere eigen betalingen en met een zorgaanbod dat onder druk staat.
Tien miljoen mensen
Nederland telt ruim 10 miljoen mensen met één of meer chronische aandoeningen. Voor hen is zorg geen incidentele kostenpost, maar een vast onderdeel van het dagelijks leven. Zij betalen vaak het volledige eigen risico. Daarnaast krijgen zij te maken met eigen bijdragen voor ondersteuning via de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO), langdurige zorg onder de Wet langdurige zorg (WLZ), of voor zorg die zij zelf inkopen met een persoonsgebonden budget (pgb). Daarbovenop komen kosten voor hulpmiddelen, aanvullende verzekeringen, medicijnen, vervoer en behandelingen die niet (volledig) worden vergoed. Huishoudens waarin iemand een beperking heeft, geven volgens het NIBUD jaarlijks 1.000 tot 4.500 euro meer uit dan vergelijkbare huishoudens waarin iemand geen beperking heeft. Die bedragen zijn berekend ná aftrek van bestaande tegemoetkomingen. Een groot deel van hen – heeft zelfs met een baan – moeite om rond te komen.
Dat geld gaat niet naar luxeproducten, maar naar dingen die nodig zijn om te kunnen leven: vervoer naar het ziekenhuis, hulpmiddelen als een rolstoel, extra energieverbruik, begeleiding. Het regeerakkoord erkent deze structurele meerkosten nauwelijks. Integendeel: met het afschaffen van de aftrek voor specifieke zorgkosten wordt een fiscale regeling geschrapt die juist bedoeld was om dit soort onvermijdelijke uitgaven te compenseren.
In het coalitieakkoord is 350 miljoen euro uitgetrokken om gemeenten in staat te stellen mensen te compenseren die door deze stijgende zorgkosten worden geraakt. De vraag is alleen hoeveel compensatie dat gaat bieden. Niet alleen omdat het bedrag beperkt is in verhouding tot de omvang van de groep, maar vooral omdat onderzoek heeft aangetoond dat zorg die via gemeenten wordt georganiseerd leidt tot grote verschillen. Wat iemand krijgt, hangt daarmee niet primair af van zorgbehoefte, maar van je postcode.
Werken loont niet altijd
Tegenover deze toenemende kosten staat geen verhoging van inkomen: sterker nog, ook daar bezuinigt het kabinet. Vanaf 2030 krijgen mensen die arbeidsongeschikt raken een uitkering die twintig procent lager ligt dan nu. Tegelijkertijd wordt de IVA-regeling, de inkomensvoorziening voor volledig arbeidsongeschikten, afgeschaft. Voor mensen met een chronische ziekte betekent dit een directe verslechtering van hun financiële positie.
Een VVD-credo sluipt het akkoord binnen als schijnbaar eenvoudige oplossing: wie werkt, redt het wel: een hervorming van de Participatiewet moet dat mogelijk maken. Maar achter die redenering schuilt een naïef geloof in maakbaarheid. Onderzoek laat zien dat arbeidsparticipatie onder mensen met een chronische aandoening niet alleen lager is, maar ook fundamenteel onzeker: perioden van werk worden afgewisseld met ziekte, verzuim en uitval.
Wie wél werkt, doet dat vaak al op de grens van wat lichamelijk of mentaal vol te houden is, waardoor een kleine verslechtering van de gezondheid direct kan leiden tot minder uren of wegvallen van werk. Die financiële onzekerheid vergroot op haar beurt de stress, en stress is een bekende risicofactor voor gezondheidsproblemen. Zo vertaalt een kwetsbare gezondheid zich in inkomensonzekerheid; een werkelijkheid die slecht past bij het idee dat arbeid voor iedereen een uitweg biedt.
Zo sterk als haar zwakste schakel
De optelsom is helder: wie afhankelijk is van zorg betaalt meer, heeft minder financiële zekerheid en heeft nauwelijks mogelijkheden om de stijgende kosten te compenseren.
Die uitkomst is moeilijk te rijmen met allerlei internationale afspraken die Nederland zelf heeft onderschreven. In het door Nederland geratificeerde VN-verdrag Handicap is bijvoorbeeld vastgelegd dat mensen met een beperking recht hebben op gelijke toegang tot zorg en op een behoorlijke levensstandaard, en dat zij beschermd moeten worden tegen de financiële gevolgen van hun ziekte of beperking.
Maar als noodzakelijke zorg leidt tot financiële stress en bestaanszekerheid afneemt zodra iemand ziek wordt, blijft inclusie vooral een papieren belofte. Dit beleid vergroot dan ook vooral de kans dat een beperking of (langdurige) ziekte straks samenvalt met armoede.
Wat dit akkoord vooral laat zien, is waar de coalitie de grenzen van haar solidariteit legt. Grote vermogens blijven grotendeels buiten schot. De ‘betaalbaarheid van de zorg’ wordt daarmee niet gezocht bij wie draagkracht heeft, maar bij mensen zonder buffers. En dat is kortzichtig: een samenleving is uiteindelijk zo sterk als haar zwakste schakel.
Nina Folkerts is journalist en is daarnaast ook mantelzorger. Ze woont in Groningen.