Leden van de Communistische Partij van India protesteren op 5 januari in de Indiase metropool Hyderabad tegen de Amerikaanse inval in Venezuela. Foto: AFP
De uitholling van internationaal recht is beleid van de VS geworden. Europa mag zich niet onderwerpen aan deze nieuwe wereldorde, zegt André Nollkaemper.
De acties van de VS in Venezuela passen in een lange rij eerdere interventies van de VS in Latijns-Amerika, van Guatemala tot Panama en Haïti. Elk van deze interventies was in strijd met internationaal recht, maar werd achteraf als incident beschouwd. Nadat de storm was gaan liggen, aanvaardde de rest van de wereld de VS weer als loyale steunpilaar van de internationale rechtsorde, alsof er niets was gebeurd.
Bij de ingreep in Venezuela is er meer aan de hand. Dit is geen geïsoleerde reactie op een onwelgevallig regime, maar een consequente toepassing van het nieuwe buitenlands beleid. De interventie in Venezuela is de eerste toepassing van de recent gepubliceerde National Security Strategy.
In dit document laat de regering Trump geen misverstanden bestaan over haar intenties. De VS wil en gaat de eigen dominantie op het westelijk halfrond herstellen, zonder vijandige buitenlandse (lees: Russische en Chinese) aanwezigheid, en met Amerikaanse controle over toeleveringsketens en hulpbronnen (olie).
Voor een goed begrip van wat er nu gebeurt is historische context behulpzaam. In 1823 formuleerde president Monroe de naar hem genoemde doctrine. Deze was vooral defensief en kan, met de kennis van nu, zelfs moreel gerechtvaardigd worden. Doel was dat Europese landen zich zouden onthouden van koloniale expansie in Amerika.
In 1904 gaf president Theodore Roosevelt de doctrine een scherpe draai; in zijn versie (de zogeheten Roosevelt Corollary) verklaarde de VS het recht te hebben om in te grijpen in Latijns-Amerikaanse staten wanneer Amerikaanse belangen op het spel stonden. Daarmee verschoof de doctrine van afweer naar interventie.
Dominantie als beleid
Daarna verdween de Monroe-doctrine als expliciet uitgangspunt van het buitenlands beleid. Hoewel de VS meermalen in de regio intervenieerde, verwezen achtereenvolgende National Security Strategies niet meer expliciet naar de Monroe-doctrine. Interventies waren incidenten, geen verklaard beleid.
De nieuwe National Security Strategy maakt de doctrine opnieuw centraal in het buitenlands beleid, en scherpt de versie van Roosevelt verder aan. De ‘Trump Corollary‘ zet onomwonden in op dominantie van de VS, interventie en inzet van militaire middelen.
Als Venezuela inderdaad de voorbode is van wat gaat komen, heeft de Trump Corollary grote gevolgen voor het internationaal recht. Ten eerste gaat de VS gewapend ingrijpen in andere landen zien als law enforcement – rechtshandhaving, alsof het in Chicago of New York plaatsvond. Er is geen twijfel dat rechtshandhaving in een andere staat, met of zonder geweld, in strijd is met het internationaal recht. Maar de VS normaliseert dit instrument en maakt het onderdeel van beleid.
De principiële veroordeling moest ironisch genoeg uit China komen
Ten tweede maakt de strategie interventie tot beleidsinstrument. Interventie heeft in het internationaal recht een precieze betekenis: het onrechtmatige gebruik van dwang in de interne aangelegenheden van een andere staat om diens vrije wil te beïnvloeden. Dit is precies wat er gebeurde toen president Trump aankondigde dat vicepresident Delcy Rodríguez van Venezuela zal doen wat de VS wil.
Ten derde, en meest fundamenteel, normaliseert de actie de inzet van militaire middelen, alsof artikel 2, lid 4, van het VN-Handvest (geen geweld of dreigen daarmee tegen andere staten) niet bestaat. Hier wordt wat eerder als incidentele schending van een norm werd gepresenteerd, en waarvoor altijd nog een poging tot juridische rechtvaardiging werd gezocht, uitgangspunt van beleid.
Zwijgen is geen optie
Europa zou kunnen denken dat deze nieuwe strategie zich beperkt tot Zuid-Amerika en dat de VS daar wellicht ruimte moet worden gelaten. Dat zou op zichzelf al onverantwoordelijk zijn richting Mexico, Colombia, Cuba, om niet te spreken over Groenland.
Maar belangrijker is dat het negeren van internationaal recht in de Trump Corollary niet op zichzelf staat. De interventie in Venezuela past in een inmiddels lange reeks, waartoe ook behoren: de aankondiging van de VS-regering om diepzeemijnbouw te willen toestaan buiten het VN-regime om; de sancties voor rechters en medewerkers van het Internationaal Strafhof; de importtarieven in strijd met het WTO-regime; en de onrechtmatige aanval op Iran.
Deze reeks wijst op een bredere subtekst in de National Security Strategy, ook buiten het westelijk halfrond. De Trump-Monroe-doctrine gaat gepaard met een beleidslijn waarin de VS zich het recht voorbehoudt het internationaal recht te negeren wanneer dat botst met buitenlandse politieke doelstellingen, waar ter wereld dan ook.
Europa bleef overwegend stil. De principiële veroordeling moest ironisch genoeg uit China komen – het land dat door Europa wordt bekritiseerd omdat het de internationale orde zou ondermijnen. Zover zijn we opgeschoven.
Bij eerdere schijnbaar incidentele schendingen van internationaal recht kon Europa de andere kant opkijken, in de hoop dat morgen de internationale rechtsorde weer zou functioneren. Nu schending van internationaal recht in Washington beleid is geworden, ligt die optie niet meer op tafel.
Eigen veiligheid als koers
Europa staat voor een ongemakkelijke keuze. Het verlangen naar een goede relatie met de VS kan Europese landen verleiden tot meebewegen – naar een wereld van invloedssferen, waarin internationaal recht minder houvast biedt, maar waar we wel kunnen rekenen op gunsten van de VS.
Maar dat zou een uiterst risicovolle en onverantwoordelijke strategie zijn. Waar grootmachten zich invloedssferen kunnen toeëigenen, en daarbij internationaal recht negeren, kan Europa zich dat niet veroorloven. En wie de National Security Strategie goed leest, weet dat Europa niet kan rekenen op de gunsten van president Trump.
In het belang van Zuid-Amerika, Europa zelf en de internationale rechtsorde is een scherpe veroordeling, gekoppeld aan een autonome Europese koers die uitgaat van eigen kracht en eigen veiligheid, het enige geloofwaardige antwoord.
André Nollkaemper is universiteitshoogleraar Internationaal Recht en Duurzaamheid aan de Universiteit van Amsterdam.