De drie directeuren die KAW in een halve eeuw heeft gehad: Henk Boldewijn (links), Reimar von Meding (midden) en Marcel Tankink. Foto Corné Sparidaens
Hoe geef je verouderde huizen en buurten een nieuw leven? Een halve eeuw al lang bedenkt KAW-architecten hiervoor oplossingen. Een gesprek met de drie directeuren die de ‘koöperatieve architectenwerkplaats’ heeft gehad.
Zo af en toe beginnen de vingers weer te jeuken bij Henk Boldewijn (77), vijftig jaar geleden de oprichter van KAW. Dan leest hij bijvoorbeeld over het totaal verpauperde voormalige hotel De Boer in Foxhol. Daar wonen nu mensen met een erg kleine portemonnee in kleine kamertjes onder erbarmelijke omstandigheden.
Gooi de boel maar plat en zet er iets nieuws neer, zou je zeggen als oppervlakkige leek. Maar zo denkt Henk Boldewijn niet. Hoe kun je een verouderd pand, een vervallen straat of een verpauperde wijk nieuw leven inblazen, zodat mensen er weer met plezier wonen en het ook nog kunnen betalen? Met die uitgangspunten startte hij in mei 1976 KAW, samen met een aantal medestanders.
Coöperatief
Vijftig jaar later spreken we Henk Boldewijn samen met zijn opvolger Marcel Tankink (66) en diens opvolger Reimar von Meding (51), de huidige directeur. Drie directeuren in vijftig jaar, er zijn bedrijven die er meer zien komen en gaan. Trouwens, Henk Boldewijn noemde zich in de beginjaren nog geen directeur.
„We waren coöperatief, dus hadden we officieel geen directeur. Iedereen was gelijk, en had hetzelfde salaris.” Gaandeweg maakte dit arbeiderszelfbestuur plaats voor een structuur zoals meer bedrijven die kennen. Uiteindelijk werd KAW een redelijk doorsnee bedrijf.
Nieuwbouwproject van KAW in de Groningse stadswijk De Hoogte. Foto Gerard van Beek
Het waren roerige jaren. Stadsvernieuwing speelde in heel veel steden. Maar dat ging gepaard met democratisering. Tot en met de jaren 60 bepaalden bestuurders van gemeenten, woningcorporaties en andere gezagsdragers wat er gebeurde. Maar nu kraakten jongeren een pand als ze vonden dat het te lang leegstond. Buurtbewoners lieten vaak in ongezouten bewoordingen van zich horen als gemeentelijke plannen hen niet aanstonden.
Boldewijn toont een fotoboek over de stadsvernieuwing van Amsterdam in de jaren 70, met vervallen en donkere straatjes en huizen. „Zo zag het er op veel plekken hier in Groningen ook uit. Neem de Oosterpoort. Daar moesten de bewoners nog naar een wc op het balkon of in de tuin. Dat was allemaal erg oncomfortabel en onhygiënisch. Wij hebben een plan gemaakt om die wc’s in huis te halen, met een gemeentelijke subsidie van 10.000 gulden per woning en een eigen bijdrage van 2000 gulden van de eigenaar. Of dat ingewikkeld was? Viel wel mee. Vaak kon je de wc wel kwijt door een stuk van de woonkamer af te halen.”
Sloopkogel
De woningen in de Oosterpoortwijk waren klein, stonden dicht op elkaar en waren toen dus veelal verouderd. Als ze de kans kregen, weken bewoners uit naar nieuwbouwwijken als Vinkhuizen of Paddepoel. Dus dachten veel toenmalige stadsbestuurders: haal de sloopkogel er maar doorheen en bouw nieuwe huizen, naar de eisen van deze tijd.
„Maar de Oosterpoortwijk is cultureel erfgoed!”, zegt Boldewijn. „Dat kun je niet verloren laten gaan.” Na stevige discussies gingen de sloopplannen van tafel. „De wijk is opgeknapt en moet je nu eens kijken. Het zijn bijna de meest gewilde woningen van de stad!”
Henk Boldewijn (midden), Marcel Tankink (rechts) en Reimar von Meding . Foto Corné Sparidaens
Zo ontwikkelde KAW eigen methoden om de stadsvernieuwing vorm te geven. Het bureau was erbij betrokken toen het voormalige pand van het Roomskatholiek Ziekenhuis aan de Verlengde Hereweg in Groningen nieuw leven werd ingeblazen. Het grote pand zou aanvankelijk plaatsmaken voor dure koopwoningen, maar dit lieten krakers niet gebeuren. Nog altijd is het een woongemeenschap met een sterke onderlinge binding van de bewoners.
Jan Schaefer
De sobere jaren 80 waren moeilijk voor KAW. Het bureau kromp, maar overleefde de economische crisis en de vele bezuinigingen. Boldewijn: „We hadden intussen veel expertise opgebouwd over stadsvernieuwing. Daarmee maakten we landelijk naam. Ik ben nog wel eens met Jan Schaefer [wethouder van volkshuisvesting in Amsterdam rond 1980, bekend door de uitspraak ’In gelul kun je niet wonen’, red.] naar Uithuizen gereden om te laten zien hoe we de dorpsvernieuwing daar aanpakten.”
De tramremise in Winschoten is onder begeleiding van KAW verbouwt en heeft een culturele bestemming gekregen. Foto Gerard van Beek
In de jaren 90 groeide KAW fors. Vanuit het hele land wisten corporaties en gemeenten het bureau te vinden. Er kwamen dan ook vestigingen in Rotterdam en Nijmegen, die laatste verhuisde na een paar jaar naar Eindhoven.
De groei is mede te danken aan het feit dat bij KAW architecten samenwerken met mensen met een heel ander vak. Zij hebben vaak een sociaal economische achtergrond. Want om een renovatieproject te doen slagen, heb je ook andere expertises nodig. „Ik ben zelf sociaaleconomisch historicus”, bekent Marcel Tankink. Hij werd kort na 2000 directeur van KAW. „Als je een wijk wilt vernieuwen, moet je de plannen maken samen met de bewoners. Je moet oog hebben voor de structuur van de wijk, zoals die is gegroeid. Je moet er niet alleen met een technische blik naar kijken.”
Ganzedijk
In zijn periode stond nieuwbouw hoog op de agenda. Dat kwam tot uiting onder andere in de komst van Vinex-wijken. Maar KAW bleef ervoor pleiten om vooral ook oude wijken te vernieuwen. Onder PvdA-minister Ella Vogelaar kwamen er projecten om oude en verarmde wijken op te knappen. Praat vooral met de bewoners, ook al zijn het honderden huishoudens tegelijk, zo was de inbreng van KAW in dit geheel.
Maar ook dan roept het soms weerstand op, dat hebben ze bij KAW ondervonden tijdens inspraakavonden waar bewoners zich aanvankelijk fel verzetten tegen renovatieprojecten. In 2008 kwam een plan van KAW landelijk in de publiciteit met adviezen over Ganzedijk, ten noordoosten van Winschoten. Die werden gelezen alsof het hele dorp van de kaart geveegd zou worden.
„Het plan hebben we gemaakt omdat de bevolking van het dorp al jarenlang kromp”, zegt Tankink. „Het idee was om dat proces goed te begeleiden, zodat er minder verpaupering zou ontstaan. Het aantal woningen zou dan geleidelijk verminderen. We wilden dit zo goed mogelijk te begeleiden, zodat het er voor de zittende bewoners prettig zou blijven.”
De beeldvorming was echter heel anders. De betrokken bestuurders van de corporatie en de provincie haalden al snel bakzeil. „We hebben er veel van geleerd”, zegt Tankink. „We raakten er temeer van doordrongen hoe belangrijk het is om eerlijk te zijn. Duidelijk zeggen hoe het er voorstaat en wat je van plan bent. Het heeft ons geholpen om samen met de bewoners onorthodoxe plannen te ontwikkelen en de kloof te dichten tussen de wereld van beleidsmakers en de belevingswereld van mensen.”
Ruimte zat in bestaande wijken
In die jaren hoorde je vaak over krimp als het over het platteland van Noord-Nederland ging, tegenwoordig minder. Bij KAW zien ze krimp nog steeds als een belangrijk onderwerp. Maar anders dan je zou verwachten speelt dit volgens KAW vooral in de grote steden.
„Het gaat dan vooral om de wijken die in de eerste decennia na de oorlog zijn gebouwd”, zegt Tankink. „Daar woont ongeveer 70 procent van alle huishoudens. We zien in veel van die wijken dat het aantal bewoners al decennialang terugloopt. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor het draagvlak van winkels, scholen en andere voorzieningen. Die wijken gaan achteruit.” „Denk maar aan Vinkhuizen”, vult Boldewijn aan. „Daar woonden ooit 8000 mensen, nu zijn het er 5500. Het is niet zo dat er veel huizen leegstaan, maar in elk huis wonen wel minder mensen dan voorheen.”
In dit soort wijken is dan ook ruimte zat, zegt KAW. Daarom ontwikkelt het bureau ideeën om er het aantal inwoners weer te doen toenemen. Vaak moeten die wijken toch op de schop omdat er aanpassingen nodig zijn voor waterberging, de natuur of het verkeer. „Je kunt dan bijvoorbeeld meer woonruimte creëren door grote huizen te splitsen”, zegt Von Meding. „Ook hebben we geconstateerd dat veel garages leegstaan. Als je in heel Nederland de ruimte van die garages gebruikt voor woningbouw, kun je een stad ter grootte van Groningen huisvesten.”
Dat heeft veel voordelen. De leefbaarheid van bestaande wijken gaat vooruit en er hoeft veel minder buiten de steden te worden gebouwd. Tijdens de verkiezingen heeft KAW dit nog in een open brief laten weten aan Rob Jetten. De D66-leider beloofde toen juist dat hij tien nieuwe steden wilde bouwen ter bestrijding van de woningnood. Kijk vooral naar wat je binnen de bestaande steden kunt realiseren, was de boodschap aan Jetten.
Energiezuinig
Andere uitdagingen zijn dat huizen energiezuinig moeten worden, of het liefst energieneutraal. En dat in een tijd dat verbouwen erg duur is geworden. „Toch zien wij mogelijkheden om huizen duurzaam en comfortabel en tegelijk betaalbaar te maken”, zegt Von Meding. „Om te beginnen is het belangrijk dat je het totale plaatje bekijkt. Een verbouwing is duur, maar als je daarmee de energielasten verlaagt en het onderhoud goedkoper maakt, blijft het betaalbaar.”
Een halve eeuw na de oprichting is voor KAW nog genoeg werk aan de winkel. Tot zijn spijt constateert Von Meding dat er in Nederland veel te weinig gebeurt op het gebied van volkshuisvesting. „Daarom laten we in Groningen, Eindhoven en Rotterdam, dus de drie regio’s waar we actief zijn, concreet zien hoe je meer woningen kunt realiseren zonder te hoeven bijbouwen.”
Een 'koöperatieve architectenwerkplaats’ is KAW dus niet meer, maar het idealisme is gebleven om mensen die het niet zo breed hebben een mooie, goede en betaalbare woonomgeving te bieden. „Het bureau is nu eigendom van een partnergroep”, vertelt Von Meding. „Die partners wisselen door de generaties heen. Onze medewerkers krijgen alle ruimte om eigen ideeën te ontwikkelen en projecten vanuit een onverwachte invalshoek te benaderen. En voor ons bureau is het ook belangrijk dat we vrouwen in dienst hebben. In het kader van ons jubileum streefden we naar 50/50. Dat is niet helemaal gelukt, we zitten op 46 procent. Maar dat is veel in vergelijking met andere bureaus.”