Het uitzicht vanuit onze hotelkamer. Foto: Jantien de Boer
Excuus, zei de reisorganisatie. Het pittoreske hotel in een of andere plaats waarvan ik de naam allang vergeten ben, was volgeboekt vanwege een feest en wij pasten er niet meer bij.
Konden we alsjeblieft doorrijden naar Caruaru? In onze auto hobbelden we over stoffige rode wegen, langs cactussen in een eindeloos droog landschap. Hoog boven onze hoofden cirkelden gieren.
In een piepklein winkeltje ergens aan het begin van de route zei een oude vrouw ernstig: Vai com Deus, ga met God. Het klonk alsof ze vond dat we wel wat extra ruggensteun konden gebruiken.
De omgeving was ongenadig. We reden door de Agreste, de armste regio van Brazilië. Het gebied had in 150 jaar tijd 70 periodes van enorme droogte doorstaan, las ik. Er waren tijden geweest dat het vee van ellende zelfs cactussen at.
Hartstikke kwaad
Toen we in het hotel arriveerden en de gordijnen openschoven keken we uit op een scheve betonnen elektriciteitsmast waaraan een wirwar van draden bungelde. Even verderop stond een losse aanhanger van een vrachtwagen in het gras geparkeerd.
Er was geen zwembad, geen terras, geen hangmat, geen barretje; achterin de wit betegelde gang stond alleen een zoemende frisdrankautomaat. Eerlijk gezegd waren we hartstikke kwaad. Dit leek helemáál niet op de plaatjes uit de reisfolder.
Na 10 minuten rijden vonden we een buitenwijk die langzaam overging in het stadscentrum. In de winkelstraten stegen zwarte rookwolken op. Motortaxichauffeurs verbrandden autobanden. Ze waren ergens boos om. Uit een klein kevertje met een enorme versterker op het dak schetterde de stem van de stakingsleider.
Amerikanen?
Smalle trottoirs gingen naadloos over in winkels. „Americanos?”, vroeg de kapster in een ‘Unisex cabeleireira’. „No Holanda”, zei ik in zelfbedacht Portugees. „Aaaaah Goelit”, riep de jongen in de kappersstoel.
De enorme markt van Caruaru. Foto: Jantien de Boer
Ha, daar was een museum. Toen we binnenstapten stelde de directeur van het Museu Memorial Caruaru zich aan ons voor. Hij sprak geen Engels, alleen Portugees, hij vond het een eer dat we binnenkwamen en hij stond erop om ons persoonlijk rond te leiden.
We knikten, zeiden hopelijk op het juiste moment oeh en aah en keken naar de galerij met portretten van alle opeenvolgende burgemeesters van Caruaru sinds 1857.
Ergens stond een piano en even verderop stopten we bij de eerste telegraaf van de stad, een apparaat waarmee tekstberichten konden worden verstuurd, die natuurlijk superbelangrijk was geweest. „Importante”, zei ik volgens mij in het Italiaans en onze gids knikte en begon nog rapper te vertellen.
Suikerrietsap
De telegraaf had de wereld dichterbij gebracht, begrepen we en kijk, daar lagen de medische scharen en tangetjes van dr. Celsa Calvao; geen idee waarom.
Dorstig geworden en bekaf van het hummen en lachen naar de onverstaanbare museumdirecteur rolden we een snackbarretje binnen. Ze verkochten er suikerrietsap. De eigenaar plette de rietstengels met gevaar voor eigen vingers in een soort wals. Waar kwamen we vandaan, wilde hij weten.
Holanda? Iedereen aan de bar keek op. In Holanda spreken de mensen heel veel talen, wist een mevrouw. Iedereen in Holanda kende Engels, had ze wel eens gehoord en iedereen was bleek.
Iedereen blond
„Inglese”, brabbelde ik en ja, veel mensen in Holanda waren blond. Net als J. inderdaad, onze jongste die vanaf zijn kruk naar een pot met lolly’s keek. „Hij is blond en de grootste neger van ons allemaal”, zei ik in mijn nep-Portugees.
Hij heeft wit haar, maar hij wordt van ons allemaal het snelst bruin, bedoelde ik, maar het kwam er blijkbaar anders uit. Even was het stil, toen klapte iedereen aan de bar dubbel.
De donkere eigenaar wees hikkend naar J. Ik lachte mee en dacht aan alle billboards die we onderweg hadden gezien. Werkelijk alle modellen waren wit, terwijl de helft van de Braziliaanse bevolking donker van kleur is. „Hoe kan dat?”, had ik onze lokale gids in de stad Recife gevraagd. In Brazilië wonen alle kleuren van de wereld, legde hij uit, maar de macht ligt vaak toch nog bij wit. En nu noemde ik in een barretje het n-woord.
Geen vertaal-apps
„Welke talen, behalve Portugees, spreek je nog meer?”, wilde een mevrouw weten. „Duits”, zei ik pips.
Och, ze spreken daar in Holanda zoveel talen, zuchtte ze weer. Hoelang bleven we nog in Caruaru, vroeg de snackbareigenaar die eindelijk was gestopt met lachen. Hadden we misschien zin om mee te gaan naar een Forró-feest? Kenden we Forró?
Het was juli 2013. Er waren nog geen vertaalapps en nee, ik kende de Forró-muziek niet. Nu weet ik dat Caruaru de Forró-hoofdstad van Brazilië is en dat Luiz Gonzaga (1912-1981) de beroemdste Forro-componist van de wereld is, maar in de snackbar hoorde ik alles voor het eerst.
Spaarlampen
En het speet me allemachtig dat we door moesten naar het vakantiedorp Pipa, waar het stikt van de comfortabele hotels en de toeristen.
Nergens kwamen we dichterbij de Brazilianen als in Caruaru. En ineens, nu ik dit opschrijf, denk ik weer aan de oude man die me aansprak toen ik ergens op een Braziliaans parkbankje met uitzicht op zee in mijn papieren reisgids zat te lezen. Hij sprak Portugees en ik niet, maar ik wist wat hij bedoelde. ,,Kijk” zei hij. „Zie de zee, zie de straat, zie de mensen.’’
Ik legde mijn boek weg en hij knikte en wees naar de boulevard en de golven. Waar het precies was, ben ik allang vergeten. Maar onverwacht Caruaru staat me nog helder voor de geest. De snackbar, met de kale spaarpeertjes aan het plafond, de museumdirecteur, de enorme markt waar mensen uit de hele regio in taxi-landrovers naartoe komen om inkopen doen die ze in grote balen op het dak van de auto binden, de regen die er ineens met bakken uit de lucht kwam, het hotel met de dunne springveermatrassen.
Doodzonde dat we weer naar de plaatjes uit de reisbrochure moesten.