Bewerking van de fotoserie 'Felis Silvestris Catus' van Fleur Huijsdens.
Er gaat veel onzin rond over het gedrag van katten. In haar nieuwe boek scheidt kattentherapeut Liesbeth Puts feiten en fictie.
Het leven van Liesbeth Puts, pr-medewerker bij een platenmaatschappij, veranderde ruim twintig jaar geleden grondig door de komst van een angstig grijs poesje, Cleo. Puts hield altijd al van katten, maar nadat ze dit bange diertje uit het asiel had gehaald, besloot ze naast haar baan een opleiding tot kattengedragstherapeut te gaan volgen, bij diergedragkennisinstituut de Tinley Academie.
In een van de eerste lessen, weet ze nog goed, kwam ‘mekkeren’ ter sprake: het kèkèkè-achtige geluid dat veel katten maken, met een open bekje, als ze bijvoorbeeld een vogel zien. „Er werd gezegd dat dat een uiting van frustratie was”, vertelt Puts (61) in een café vlak bij station Driebergen-Zeist. „Ik dacht: hoezo, hoe weet je dat? Iedereen praat elkaar na. Weinig mensen vragen zich af: klopt het wel, is het onderzocht?”
Mekkeren komt niet voort uit frustratie
Dat ging ze dus zelf maar doen. Via via liet ze zo’n honderd mensen vragenlijsten over hun kat invullen: mekkert die weleens, in welke situaties, beïnvloedt het de kans om bijvoorbeeld een vogel te vangen? De conclusie: mekkeren komt duidelijk niet voort uit frustratie. „Frustratie is als je iets wilt en je krijgt het niet. Maar als een kat op een halve meter van een vogel zit, en hij moet nog springen, dan wéét hij nog niet of hij krijgt wat hij wil.” En, besefte ze later: „Als katten duidelijk gefrustreerd zijn, bijvoorbeeld bij een dichte deur, mekkeren ze helemaal niet.” Hooguit mauwen ze dat-ie open moet.
Tekst gaat verder onder de foto.
Voor haar afstudeerproject aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag KABK maakte Fleur Huijsdens de fotoserie 'Felis Silvestris Catus'. Het moet een spiegel zijn voor de emoties die mensen projecteren op katten. Er is een gelijknamig boek op komst, ontworpen door Sybren Kuiper. Foto: Fleur Huijsdens
In 2008 studeerde Puts cum laude af aan de Tinley Academie, op kattengemekker. Ze werkt nog steeds twee ochtenden per week voor de platenmaatschappij – ze doet wereldmuziek, in 2004 heeft ze weleens een dag rondgetourd met de Guinese zanger Mory Kanté (1950-2020), bekend van de hit Yéké Yéké. Daarnaast is ze praktiserend kattengedragstherapeut geworden en ging ze boeken schrijven over kattengedrag.
Na Kattig of poeslief (een opvoedgids voor kittens, volledig herzien in 2020) en Als de kat het voor het zeggen had (2020, ook in het Engels vertaald als The Handbook for a Happy Cat) is nu net haar derde boek verschenen: Wat je kat écht denkt. Daarin beschrijft ze hoe je aan de lichaamshouding, het gedrag en de verschillende geluidjes van de kat kunt aflezen en -horen of hij zich gelukkig voelt, of bijvoorbeeld boos is, of bang of onzeker.
Wat bedoelt mijn kat?
Kon je kat maar praten! Nou, dat doet hij ook. Alleen niet met taal, maar met zijn lichaam. Dit is bijvoorbeeld typisch kattengedrag:
Heksenrug maken Met een hoge rug en een dikke, naar beneden gerichte kromme staart, als in een Halloween-reclame, ziet je kat er afschrikwekkend uit. En inderdaad ‘heksenpoezen’ katten soms als ze een andere kat in hun territorium zien: dan maken ze zich groot in de hoop dat die verdwijnt (katten houden niet van vechten). Maar spelende katten kunnen ook heksenpoezen. Dan lopen ze er dwars bij te hupsen en dagen ze je echt uit. „Het lijkt erop dat katten dol zijn op die mix van opwinding en spanning, iets wat kinderen ook zo leuk vinden”, schrijft Liesbeth Puts in Wat je kat écht denkt.
illustratie
Op de rug rollen Soms praat je tegen je kat en dan laat hij zich een paar meter verderop vallen en gaat op zijn rug liggen rollen, terwijl hij met zijn pootjes beweegt en naar je kijkt. Het ziet er vrolijk uit en dat is het ook: de kat is blij dat je er bent. Maar: „Het is geen uitnodiging om zijn buik te aaien!”, schrijft Puts. Katten hebben er niet altijd zin in om aangeraakt te worden.
illustratie
Staren Als katten elkaar (soms langdurig) aanstaren, is dat niet bepaald een uiting van liefde – het is passieve agressie en het kan tot vechten leiden. Dat betekent ook dat het niet handig is als je liefdevol gaat hurken bij de bank waar je bange nieuwe kat zich onder verstopt heeft. Als je intens naar je kat blijft kijken, vindt die dat ook niet prettig. Door langzaam je ogen even dicht te knijpen of nadrukkelijk je hoofd te draaien en weg te kijken, laat je zien dat je geen bedreiging bent.
illustratie
Wetenschappelijke literatuur
Nog steeds heeft Puts een hekel aan „al die dingen over katten die maar worden aangenomen en doorverteld”. Dus raadpleegt ze voor haar boeken graag de wetenschappelijke literatuur over kattengedrag. Voor haar was het geen probleem dat je op de Tinley Academie Engelstalige wetenschappelijke literatuur moest kunnen lezen en dat je zelf een afstudeeronderzoek moest kunnen opzetten: ze was in 1986 afgestudeerd in de sociale psychologie en daar moest dat ook al. Anderen hadden er meer moeite mee. „We begonnen dat jaar met twintig mensen en er zijn er vier afgestudeerd.” Kattengedragstherapeut is geen beschermd beroep. „Maar de goede zijn aangesloten bij de SPPD, de Stichting Platform Professionele Diergedragdeskundigen”, tipt Puts. Die stelt eisen aan opleiding en nascholing.
Haar psychologieopleiding komt nog steeds van pas. „Mensen die de opleiding voor kattengedragstherapeut gaan doen, hebben veel met dieren, maar beseffen vaak niet dat je ook veel met mensen moet hebben. Je moet een goede analyse kunnen maken van de problemen van een dier, maar je moet óók inzicht hebben in hoe mensen functioneren.” Want je moet eigenaars overtuigen bepaalde dingen anders te gaan doen, als bijvoorbeeld hun kat steeds in huis plast of in de gordijnen hangt.
Geen flauw benul
Veel mensen straffen hun kat, zegt Puts, en dat is nooit een goed idee. „Hoe vaak mensen nog steeds roepen: als ze op de grond plassen moet je ze met hun neus door de plas halen. Of: je moet ze bij hun nekvel oppakken. Terwijl we twintig jaar geleden al wisten dat dat niet goed is.”
Waarom is dat niet goed? „Het misverstand is dat de moederpoes dat zou doen om haar kittens te bestraffen. Maar een moederpoes straft niet veel, die geeft hooguit af en toe een tik, dat doen katten onder elkaar. En ze pakt haar jongen nooit in het nekvel, ze pakt altijd het hele nekje. Mensen zien dat niet goed. Veel volwassen katten laten zich helemaal niet slap hangen als je ze bij hun nekvel oppakt, maar proberen te ontsnappen, omdat het pijn doet.”
Ook een kat met zijn neus door de eigen urine halen is zinloos wreed. „Hij heeft geen flauw benul waarom je dat doet. Hoe moet hij dat begrijpen? Je moet de oorzaak aanpakken. Veruit de meeste katten die in huis plassen, hebben medische problemen, bijvoorbeeld blaasgruis of nierproblemen. En anders vindt je kat de kattenbak misschien te vies of het grit niet fijn. Mensen zijn tegenwoordig dol op van die geperste houtpellets, maar katten vaak niet.”
Puts vindt het wel belangrijk dat je grenzen stelt. „Je hoeft niet alles van je kat toe te staan. Maar als hij iets doet wat je niet wilt, helpt nee zeggen vaak al. En een alternatief bieden, net als bij kinderen. Want je moet wel rekening houden met de behoeften van een kat. Stel, hij hangt in de gordijnen, bied hem dan iets anders waarin hij omhoog kan klimmen, waardoor de behoefte om de gordijnen te gebruiken verdwijnt. Maar ga niet de hele dag met de plantenspuit rondlopen.” Dat is ook weer zoiets sufs wat mensen maar blijven zeggen: dat je een kat zou moeten straffen met de plantenspuit. Daar kan hij bang en gestresst van worden.
Te weinig basiskennis
Er is sowieso te weinig aandacht voor hoe je een kat opvoedt, vindt Puts. „Dat je een kat bijvoorbeeld leert om gekamd te worden, dat je hem leert wennen dat zijn nagels geknipt worden of leert zelf zijn reismand in te lopen. Het is ook heel belangrijk dat je de reismand uitsopt nadat je bij de dierenarts geweest bent. Dat kan veel stress voorkomen, want anders ruikt de mand naar dierenarts en naar het angstzweet van de kat: ze zweten via hun voetjes.”
Eigenaren hebben vaak te weinig basiskennis over hoe je met katten moet omgaan, denkt Puts. Soms weten ze niet eens hoe je ze moet oppakken. (Eén hand achter de voorpoten, één onder de billen, dan de achterpoten ondersteunen.) Of wat je moet doen als je er een kat bij wilt nemen (er staat een stappenplan op haar site). En óf je dat wel moet doen.
Twintig jaar geleden zag Puts als therapeut vooral onzindelijke katten, tegenwoordig ook veel hevige onderlinge agressie. „Een bekend misverstand is: laat ze het maar uitvechten. Dat komt nooit goed, al die mensen hangen bij mij aan de telefoon. En wat ik het hartverscheurendst vind: als mensen twee katten hebben die geen vriendjes zijn, er gaat er een dood en de ander leeft op – en als de eigenaar dan denkt: die mist de andere kat, ik neem er weer een bij. Dan gaat het wéér mis.” Daarom is het ook zo belangrijk, zegt ze, „dat je het opleven van je kat herkent als opleven.”
Jaren tobben
Zelf doet ze nu gemiddeld nog maar één kattenconsult per maand en alléén op doorverwijzing van een paar geselecteerde dierenartsen. Ze is het aan het afbouwen omdat ze boeken schrijven fijner vindt en er meer mensen mee bereikt. „Ik krijg vaak de zware gevallen waar de dierenarts geen antwoord op weet, dan zijn ze soms al vijf of zes jaar aan het tobben. Dan denk ik: was met mij begonnen.”
Waarom katten mekkeren, weten we trouwens nog steeds niet precies, vertelt Puts. „Het zou opwinding kunnen zijn, of wat we dan noemen: een autonome reactie. Niet alle katten doen het. Er zijn katten die er veel herrie bij maken en katten die alleen een beetje met hun bekje bewegen. Katten doen het niet alleen naar vogels, er zijn er die ook naar een speeltje mekkeren of als hun eigenaar binnenkomt. Misschien vindt die eigenaar dat heel leuk en heeft hij het zo aangemoedigd.”
Zelf is Puts momenteel katloos. Cleo stierf in 2010, poes Kefraya in 2015, en in maart overleed ook haar lieve cyperse kater Dennis. Puts had zich opgegeven als tijdelijke opvang voor katten uit Oekraïne, maar niets meer gehoord. En nu? „Nou, ik heb vandaag net op internet zitten kijken wat er in de asiels zit”, zegt ze. „Maar… mijn partner weet dat nog niet.”