Jannie wil dat mensen zoals haar zoon niet in de steek worden gelaten. Foto: Nienke Maat
De politie rukt wekelijks meerdere keren uit voor meldingen over verward gedrag. Maar deze verwarde personen zijn ook gewoon mensen, die ziek zijn. „Laat ze niet stikken”, zegt moeder Jannie.
Het is maandag 24 januari 2022. Een grijze dag, waarop de zon zich geen moment laat zien. De thermometer tikt net de 5 graden aan. Sander (niet zijn echt naam) voelt dat het niet goed met hem gaat. Hij heeft een geschiedenis met psychiatrische problemen, die te behandelen zijn. Maar een wisseling van medicatie zorgt voor een terugval.
Hij belt die maandag 112 en vraagt om hulp. De psycholance, speciaal ingericht voor het vervoer van personen met verward gedrag, komt naar hem toe. De betreffende ggz-verpleegkundige oordeelt dat Sander naar de crisisbeoordelingslocatie aan de Hereweg in Groningen moet. Maar niet veel later wordt hij met een potje pillen in een taxi naar huis gezet.
De volgende dag steekt Sander in huis zijn platencollectie in brand, waarschuwt de buren, stapt in de auto en rijdt weg. De materiële schade is groot, maar de brandweer kan erger voorkomen.
Hij werd niet geholpen
Zijn moeder Jannie (74) kan er nog steeds niet bij dat het gegaan is zoals het gegaan is. Haar volwassen zoon pleegde een delict omdat hij niet is geholpen. Samen met haar man woont ze in een dorp in de gemeente Westerkwartier. Ze gebruikt haar achternaam liever niet, omdat ze geen nieuwe problemen over haar zoon wil afroepen.
Sander woont nu in een dorp in de provincie Groningen en het gaat naar omstandigheden goed met hem. Zijn moeder Jannie strijdt tegen het stigma dat op verwarde personen rust en maakt zich hard voor meer geld voor de geestelijke gezondheidszorg.
In de provincie Groningen is een structureel tekort aan ggz-plekken. Daardoor krijgt niet iedere patiënt de hulp die hij of zij nodig heeft en maken mensen zich zorgen over hun veiligheid. Het verhaal van Jannie staat symbool voor waar veel meer familieleden van ‘verwarde personen’ mee kampen.
‘Hij kan er niets aan doen’
Jannie herinnert zich dat moment in januari 2022 als de dag van gisteren. Aan de keukentafel in huis, met uitzicht over de landerijen, vertelt ze hoe om half drie ‘s middags twee agenten aan de deur staan. Ze willen weten of Sander bij haar thuis is. „Dat was hij niet, maar ze zochten hem omdat hij brand had gesticht. Door dat delict is hij een dader geworden, maar hij kan er niets aan doen. Hij heeft vaker 112 gebeld. Hij vroeg om hulp, want hij is ziek.”
Aan de keukentafel lucht Jannie haar hart over de onmacht die ze voelt. Foto: Nienke Maat
De politie heeft Sander snel na de brand in de smiezen. Hij wordt van de weg gehaald en aangehouden. Zijn rijbewijs en auto in beslag genomen. „Hij werd staande gehouden als een crimineel en wij hebben hem tot de rechtszaak niet meer gezien”, verzucht Jannie. Het doet haar nog altijd zeer. „Hij wilde niet dat we hem op kwamen zoeken in detentie.”
Ruim vijf maanden later staat Sander voor de rechter. Die oordeelt dat de brandstichting hem niet aan te rekenen valt. Hij is wel schuldig, maar krijgt geen straf.
‘Met hulpvraag wordt niets gedaan’
Sander, zijn vader en Jannie trekken vaker aan de bel. „Ik heb in juni 2021 ook al de ggz gebeld en gezegd: dit komt niet goed”, vertelt Jannie. „We zijn bij de huisarts geweest, maar ja... dat is geen psychiater. Met de hulpvraag wordt te vaak niets gedaan.”
Door de jaren heen is volop bezuinigd op de ggz. Dat stuit Jannie tegen de borst. Het voelt voor haar alsof mensen zoals haar zoon in de steek worden gelaten. Tot er iets gebeurt, zoals de brandstichting van Sander. „Ik hoorde in de rechtbank mensen zeggen: dit gebeurt zo vaak...” Ze haalt haar schouders op. „Moet ik het dan normaal vinden? Natuurlijk ben ik gekleurd, want het is mijn kind. Maar hij verdient dit niet.”
Jannie wil dat mensen zoals haar zoon niet in de steek worden gelaten. Foto: Nienke Maat
Het stoort Jannie dat bezuinigingen in de ggz anderen juist op kosten jagen. Hoezo een bezuiniging, vraagt ze zich daarom af. „Als je alle kosten bij elkaar optelt van de brandweer- en politie-inzet, detentie, de rechtbank en alle andere zaken, dan heeft dit heel veel geld gekost.” Licht cynisch zegt ze: „Het is voor sommigen een goed verdienmodel.”
„Het verdriet, de boosheid, teleurstelling, frustratie, zorgen en het in de steek gelaten voelen, is niet in geld uit te drukken.”
‘Dan moet ik het zelf doen’
Jannie gaat met enige regelmaat bij haar zoon langs. Dat deed ze ook voor de brandstichting.„De ggz is compleet uitgeknepen, daardoor sta je er alleen voor.” Ze beschrijft hoe ze meerdere keren zelf de-escalerend is opgetreden. Het is onmacht. „Maar als de ggz het niet doet, dan moet ik het zelf doen.”
Ze wil dat Den Haag meer geld uittrekt voor de geestelijke gezondheidszorg, zodat mensen zoals haar zoon beter geholpen worden. De daad van haar zoon is niet goed te praten. Dat probeert ze ook niet, maar ze wil wel dat het ergens toe leidt. „Je speelt als samenleving met vuur als je geen vinger aan de pols houdt. Wat als er doden waren gevallen? Het ergste van alles is dat het absoluut voorkomen had kunnen worden, als hij die avond niet naar huis was gestuurd. Dan was het niet gebeurd.”
Het gaat nu relatief goed met Sander. „Dat stelt me gerust”, vertelt Jannie. „Maar ik heb nu eenmaal een zoon met een diagnose. Hij kan prima in de samenleving leven, maar het ontbreekt hem aan toekomstperspectief. Daardoor blijft het toch altijd een zorg.”