Het Israëlitisch armenhuis aan de Schoolholm in de Joodse buurt in Groningen, tussen 1920 en 1930.
De gemeente Groningen laat groot onderzoek doen naar het eigen handelen bij de gedwongen verkoop van Joodse eigendommen en de houding van overheid en bevolking tegenover Holocaustoverlevenden.
Bij het onderzoek, dat de gemeente woensdag aankondigt, moet intensief worden samengewerkt met de Joodse gemeenschap in de stad. ,,Zo goed als iedereen die hier het slachtoffer van is geworden, is niet meer in leven”, zegt Frits Grunewald, voorzitter van de Nederlands Israëlitische Gemeente (NIG) Groningen. ,,Het is goed dat dit eindelijk onderzocht wordt, al is het 50 jaar te laat.”
Het Groningse onderzoek staat niet op zichzelf. De afgelopen jaren hebben steden als Amsterdam, Den Haag en Utrecht het eigen handelen bij het afpakken van eigendommen van Joodse inwoners tijdens de Duitse bezetting al laten onderzoeken. In sommige gevallen heeft dit geleid tot herstelbetalingen. Ook Assen, Meppel, Steenwijkerland, Oldambt, Veendam en Westerkwartier laten soortgelijk onderzoek doen.
Groningen beperkt zich niet tot het kijken naar het handelen van de gemeente (inclusief de toenmalige gemeenten Haren, Noorddijk, Hoogkerk en Ten Boer), gemeentebedrijven en de gemeentelijke politie bij het afpakken van eigendommen en het belasten van afgepakt onroerend goed, maar wil ook weten wat er is gebeurd op het gebied van rechtsherstel. Groningen wil daarnaast inzicht krijgen in ‘welke houding’ de Groninger samenleving aannam tegen de Joodse inwoners in de periode 1940-1955 en welke rol de gemeente daarbij heeft gespeeld.
Het college trekt 260.000 euro uit voor het onderzoek, dat in mei volgend jaar klaar moet zijn. Het staat onder leiding van hoogleraar Maarten Duijvendak van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). Hij krijgt hulp van meerdere RUG-historici, een private onderzoeker die gespecialiseerd is in de Joodse oorlogsgeschiedenis en de gemeentearchivaris van de Groninger Archieven.
De Folkingestraat, in het hart van de Joodse buurt in Groningen, rond 1900.
Ze moeten in elk geval aan de slag met zaken die zijn aangedragen door nabestaanden van Joodse families. Het gaat onder meer om een pand aan de Praediniussingel in Groningen. Het was eigendom van de familie Polak. In de oorlog trok de NSB er in. Er is een foto uit 1942 bekend met NSB-voorman Anton Mussert in de voorkamer.
De autoriteiten in Groningen beschikten in februari 1941 over een lijst - namen, geboortedata en woonadressen - van 3187 inwoners met minimaal één Joodse grootouder. Op 25 en 26 juni 1942 vonden in de oude HBS in de Violenstraat de eerste keuringen door NSB-artsen plaats van Joodse mannen tussen de 16 en 55 jaar, voor ‘arbeid in werkkampen’. Op 10 juli van dat jaar was er een transport van 850 mannen (600 uit de stad, de anderen uit de rest van de provincie) naar werkkampen in Noord-Nederland. Het bracht een menigte ‘van duizenden Groningers’ op de been.
Er werd regelmatig ingebroken in woningen van gedeporteerde Joodse Groningers, constateren de onderzoekers in hun vooronderzoek. In de huizen kwamen nieuwe bewoners, hun bedrijven werden overgenomen, straatnamen die verwezen naar Joden werden gewijzigd. De woningen werden doorgaans verhandeld door NSB-makelaars en de ANBO (de Algemeen Nederlandse Beheer van Onroerende Goederen), zo ook in Groningen.
De inboedel van de Joodse huizen is in de meeste gevallen naar Duitsland vervoerd. Aangenomen wordt dat niet meer dan 120 Holocaust-overlevenden terugkeerden naar de stad.