De Stenen Man, het monument op de zeedijk bij Harlingen, dat enkele jaren na de overstroming werd opgericht. Foto: Archief Dick Manshande
Duizenden Groningers en Friezen stierven bij de Allerheiligenvloed van 1 november 1570. Van Vlaanderen tot Ost-Friesland heerste 450 jaar geleden vreselijke ellende. Nooit werd het Nederlandse kustgebied zo hard getroffen.
Windvlagen gierden vanaf de Noordzee over de waddenkust. Het was een ‘groten en vreeslijken storm en noordwesten wind’ die zware golven op de lage zeedijken liet beuken. Veel kustbewoners kropen vroeg onder wol en werden volledig overvallen door het opstuwende zeewater.
In de loop van de avond braken namelijk verschillende dijken door. Al gauw spoelde ‘eenen seer groten en verschrickelijken watervloed’ over het land, waarbij sommige woningen op de golven dreven, terwijl andere woningen werden verpletterd. Boeren en hun gezinnen waadden naar de terpen, ze klommen in bomen of grepen zich vast aan drijvende planken.
Om tien uur’ s avonds kwam het zeewater al tot aan de rand van de stad Groningen. En daar niet alleen, want de wilde zee bereikte ook de poorten van Emden, Leeuwarden, Franeker, Dokkum, Sneek en Bolsward, zo blijkt uit historische beschrijvingen over die bizarre avond van 1 november 450 jaar geleden. De ellende van de mensen op het platteland was ‘deerlick en verschrickelijk’.
De autoriteiten in Groningen kwamen onmiddellijk in actie. Iedereen die een schuitje bezat, werd het water op gestuurd om buiten de stad te zoeken naar drenkelingen in bomen, huizen en kerken. Dagen achtereen, tot aan Sint-Maarten (11 november) toe, voeren ze rond over de watervlakte om te redden wat er te redden viel.
Landkaart uit de zestiende eeuw.
De schippers zagen soms geen hand voor ogen door de ‘damp’ die boven het water hing. Ze konden alleen de weg terug naar de stad vinden dankzij de kaarsen en kandelaars die op veel plekken waren opgehangen. De klokken van de Martinitoren luidden soms als hulp aan de schippers.
Elders in Friesland en het Groningerland moet het er net zo aan toe zijn gegaan. Al snel ontstond een tekort aan voedsel en brandstof. Duizenden koeien, varkens en schapen waren immers meegevoerd door de zee, net als de kachelturf die bij veel huizen opgeslagen had gelegen.
Het bestuur van Friesland wilde snel weten hoeveel doden er gevallen waren en schreef daarom alle plattelandsgemeenten (grietenijen) en steden een brief. Er kwam spoedig antwoord. Vooral langs de Lauwerszeekust bleek de ellende groot. Metslawier, de hoofdplaats van Oostdongeradeel, meldde minstens 1510 verdronken inwoners. Ook Westdongeradeel (957 mensen), Ferwerderadiel (16) en de stad Dokkum (135 doden) hadden grote verliezen geleden.
Aan de Groninger zijde van de Lauwerszee was het ook niet best. Hornhuizen telde 21 doden, Pieterburen zou 42 huizen hebben verloren, terwijl daar 100 doden vielen. Historici denken dat dit laatste cijfer overdreven is, maar noordwestelijk Groningen moet beslist hard getroffen zijn.
Uit Friesland zijn verschillende dramatische details overgeleverd. Een veerschip uit Harlingen ging bij Molkwerum ten onder met aan boord zeventig tot honderd personen. Slechts een handvol mensen zou de ramp hebben overleefd. In die omstreken blies de zee ook een schip over de dijk, waarna dit pas kilometers verder tot stilstand kwam tegen een huis in Abbega. De opvarenden verlieten daar veilig hun schip. In deze omstreken sloeg de storm ook veel land weg, waardoor de meren groter werden. De Brekken tussen Sandfirden en Nijhuizum moet fors gegroeid zijn bij de ramp van 1570.
Het gebied ten zuiden van Harlingen (Wûnseradiel) verloor 133 inwoners in de golven, terwijl Hemelumer Oldeferdt/Noordwolde (rond Koudum) 103 mensen kwijtraakte. Ook het naburige Workum werd ernstig getroffen. Een flink stuk stad verdween in de golven, waarbij 35 inwoners omkwamen.
In Groningen was de ramp zo erg ‘dat voele menschen ende ontellijck voele beesten verdrunck bint’, constateerde het stadsbestuur. Helaas is van de provincie Groningen geen registratie van dodencijfers per gebied bewaard gebleven. Wie de Groninger en Friese doden optelt, komt waarschijnlijk op enkele duizenden uit.
Sommige oude stukken melden aanzienlijk hogere dodencijfers, maar die kloppen niet volgens hedendaagse historici. Dodentallen werden vroeger vaak overdreven, zo stelde de Antwerpse hoogleraar geschiedenis Tim Soens vast in een vergelijkingsstudie naar oude watersnoodrampen.
Het eerste uitgebreide feitenonderzoek naar de overstroming van 1570 vond eind jaren zestig plaats in Friesland. Een groep onderzoekers schreef toen in opdracht van de gemeente Harlingen het boek De Allerheiligenvloed van 1570. Voor het eerst werd de schade aan het gehele Nederlandse kustgebied in kaart gebracht, terwijl ook geput werd uit prachtige Duitse bronnen .
Ost-Friesland kende namelijk net als Friesland vrij nauwkeurige dodentellingen. Daar moeten ruim negenduizend doden zijn gevallen: veel meer dus dan in het Noord-Nederlandse kustgebied. De Duitse bronnen beschrijven veel persoonlijke drama’s en wonderlijke voorvallen.
Zo wisten vijftien mensen zich het vege lijf te redden op een drijvend dak. Talrijke gezinnen voeren in hun dobberende huizen rond, alsof het schepen waren. Soms overleefden alleen de ouders de ramp, terwijl de kinderen onderweg stierven van de kou. Ook koeien en andere dieren dreven soms mee op huizen en daken.
Een echtpaar dat uitgeput aanspoelde bij een Ost-Friese dijk, werd warm gehouden door een varken, dat toevallig in de buurt was gestrand. In Reiderland kwam een ‘teer kindtje in een wiegh aandryven’. Een rijke juffer ontfermde zich over dit ‘onnoosel schepsel’ en noemde het kind Mozes, net als de Bijbelse baby in het biezenmandje. Er bestaan veel soortgelijke verhalen over kindjes in drijvende wiegjes. Of die allemaal op waarheid berusten, is de vraag.
‘O Godt wat was oeveral ein droevich beklach’, zo vermeldt een memorietekst die in de kerk van het Ost-Friese Suurhusen werd aangebracht. Nog nooit was in Friesland zo iets ergs vernomen, noteerde de schrijver.
Verschillende kronieken maken melding van ladingen turf en moerasgrond die in het grensgebied van Groningen en Ost-Friesland aanspoelden. Ook Friese gronden dreven weg naar andere provincies langs de Zuiderzee. Soms probeerden de eigenaren later tevergeefs hun verdwenen grond terug te claimen.
Plattegrond van Stavoren met hierop het blokhuis (rechts). De kaart toont het strijdtoneel tussen Spaanse
en Friese troepen in 1572.
Bron: Bayerische Staatsbibliothek
Opvallend is dat de meeste steden weinig schade leden. ,,Groningen lag natuurlijk hoog, daar is dit logisch’’, zegt historicus en sociaal-geograaf Meindert Schroor. Ook kuststad Harlingen lijkt nauwelijks inwoners te hebben verloren. Dat had een bijzondere oorzaak, vermoedt Schroor: ,,Harlingen en Stavoren hadden elk een blokhuis, dat was koninklijk bezit.’’
De Spaanse koning Philips II had namelijk troepen in deze kastelen om de opstandige Friezen onder de duim te houden. Hij liet zijn blokhuizen en vermoedelijk ook de nabijgelegen dijken goed onderhouden, denkt Schroor. Daar zat de burgerij dus veilig bij overstromingen.
Voor de meeste andere dijken lag de verantwoordelijkheid echter bij de boeren, die onderling vaak ruzieden over de kosten. In noordwestelijk Friesland was hier in de jaren na 1570 zoveel gedoe over dat het Spaanse gezag zich moest uitspreken over de betaling. Voor sommige boeren pakte dit besluit goed uit. Zij waren zo blij dat zij op de Harlinger dijk een monument lieten oprichten. Deze Stenen Man geldt als het bekendste Nederlandse aandenken aan de watersnood van 1570, hoewel het pas jaren later werd geplaatst.
Het Spaanse gezag was overigens niet populair, vanwege de hoge belastingen die aan de bevolking werden opgelegd. Boeren hadden weinig geld, want hun landerijen waren door de overstromingen onvruchtbaar, terwijl het vee verdronken was. Ondertussen hadden deze grondeigenaren ook last van de plunderende Watergeuzen. In de roerige beginjaren van de Tachtigjarige Oorlog kwam veel rampspoed samen.
In het zwaar getroffen Metslawier hangt aan de kerk nog een gevelsteen, die herinnert aan de ramp en spreekt van 1801 doden: dit aantal ligt dus hoger dan eerder bij de officiële telling was gemeld. Ook elders langs de noordelijke kust zijn nog aandenkens aan deze storm bewaard.
Achter verschillende dijken in Oost-Groningen bevinden zich nog kolken op de plekken van oude dijkdoorbraken. Sommige hiervan moeten in 1570 zijn ontstaan. Midwolda heeft zelfs zijn ligging te danken aan de vloed. Het dorp raakte door de ramp verwoest en werd daarna iets zuidelijker herbouwd.