Veel gepensioneerden hebben later dit jaar meer te besteden. Foto: ANP
Nederlandse pensioenfondsen verhogen de uitkeringen gemiddeld met liefst veertien procent, zo bracht het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onlangs naar buiten. De exacte verhoging verschilt echter per fonds, en bij sommige fondsen zelfs per gepensioneerde. Hoe zit dat?
Waarom kunnen de pensioenen zo hard omhoog?
Dat heeft te maken met de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. In dat nieuwe stelsel houden pensioenfondsen minder reserves aan dan in het oude stelsel. Het geld dat ze niet meer hoeven aan te houden als buffer, mogen ze verdelen onder de deelnemers.
Het helpt daarbij ook dat de financiële positie van fondsen het afgelopen jaar verbeterde, en dat leidt bij veel fondsen tot flinke verhogingen. Die verhoging wordt ook wel de ’invaarbonus’ genoemd.
Kan iedereen zich verheugen op enorme verhogingen?
Nee. Er zijn bijvoorbeeld tienduizenden mensen met een pensioen bij een verzekeraar die geen invaarbonus ontvangen en de pensioenen niet (flink) zien stijgen. Bij deze verzekeraars is er geen sprake van het loslaten van buffers.
Maar het gros van de mensen met een pensioenuitkering bij een fonds – dat zijn er ongeveer vier miljoen – ziet de uitkering wél stijgen. Zij zien die stijging ook echt terug op hun bankrekening. De verhoging geldt ook voor mensen die nog niet gepensioneerd zijn, maar wel iets hebben opgebouwd bij een pensioenfonds: zij zien hun verwachte uitkering stijgen.
Kunnen mensen bij een pensioenfonds dan zeker rekenen op een flinke verhoging?
Hoe hard de pensioenen stijgen, hangt allereerst af van de financiële positie van het fonds: het ene pensioenfonds zit wat ruimer in zijn jasje dan het andere.
En dan kan de verhoging ook nog verschillen per gepensioneerde: bij sommige fondsen krijgt een tachtigjarige bijvoorbeeld een lagere ’invaarbonus’ dan een zeventigjarige.
Waar komt dat verschil vandaan?
Dat heeft te maken met de zogeheten ’spreidingstermijn’ van de invaarbonus. Hoe hoger die spreidingstermijn, hoe groter de verschillen. Er zijn ook fondsen die bewust kiezen voor een spreidingstermijn van één jaar. In dat geval is de verhoging wél voor iedereen gelijk.
De term ’spreidingstermijn’ doet misschien vermoeden dat fondsen de bonus gespreid uitkeren, maar dat is niet zo. Die spreidingstermijn gaat over het aantal pensioenverhogingen dat iemand, gezien zijn levensverwachting, in de toekomst nodig heeft.
Een gepensioneerde van 67 heeft bijvoorbeeld in de toekomst meer verhogingen nodig om de inflatie bij te benen dan iemand van tachtig jaar. Daarom kiezen sommige fondsen ervoor om die 67-jarige een groter bedrag mee te geven dan een tachtigjarige.
Dit sluit overigens aan bij de systematiek van het ’oude’ stelsel. Als er nu bijvoorbeeld gekort moet worden, zien ouderen die korting minder snel terug dan jongeren.
Wanneer gaan de pensioenen omhoog?
De verhogingen gaan officieel per 1 januari in, maar gepensioneerden ontvangen deze vaak pas later op hun rekening. Veel fondsen keren in het voorjaar voor het eerst een verhoogde uitkering uit.
Die eerste verhoogde uitkering is overigens extra hoog: dan vindt er namelijk ook een nabetaling van de verhogingen in de eerste maanden van het jaar plaats. Iedereen krijgt persoonlijk bericht van zijn pensioenfonds over een eventuele verhoging.
Overigens stapt niet ieder pensioenfonds dit jaar over naar het nieuwe pensioenstelsel. Grote fondsen als ABP en PME maken bijvoorbeeld volgend jaar pas de oversteek.