Boer Geert en boswachter Evert kijken anders naar de natuur in de bossen van het Hart van Drenthe. Foto's: Wouter Hoving, bewerking DVHN
De natuur ligt er ellendig bij, vindt boer Geert Prins. We zijn fouten uit het verleden aan het herstellen, zegt boswachter Evert Thomas. Lees hier twee kanten van de medaille.
De natuur ligt er ellendig bij, vindt boer Geert Prins
De natuur wordt verwaarloosd, vroeger ging dat beter. Dat vindt Geert Prins, voormalig boer uit Zwiggelte als hij door de bossen van Hart van Drenthe rijdt. „Staatsbosbeheer moet eens uit het kantoor komen.”
Geert Prins (81) is een boer in ruste. Zijn zoons en kleinzoon hebben zijn akkerbouwbedrijf overgenomen. Zelf woont hij in een seniorenwoning in het centrum van Beilen. Een fijn plekje, al is hij nog dikwijls aanwezig op zijn oude bedrijf dat tegen meerdere natuurgebieden aan ligt. En als de oude boer dan langs die bossen rijdt, dan voelt hij ergernis opborrelen. Waar mannen vroeger almaar in de weer waren om natuurgebieden netjes te onderhouden, is alles nu – in zijn ogen – zwaar verwaarloosd.
Geert Prins (81) in het natuurgebied Hart van Drenthe vindt dat de natuur verwaarloosd wordt. Foto: Wouter Hoving
Dat wil hij laten zien. Met zijn terreinwagen stuurt hij bij Zwiggelte het bos in van Hart van Drenthe (voorheen boswachterijen Grolloo, Hooghalen en Schoonloo). „Hier gaan we de bushbush in. Geef je ogen de kost. Wat een puinhoop, hè.” Om het bospad heen liggen kriskras omgevallen bomen. ,,De bossen zijn ooit aangelegd voor het hout. Nu laat Staatsbosbeheer alles doodgaan.”
De andere kant van het verhaal
Dit verhaal heeft twee kanten. Lees parallel aan de aanklacht ook het verhaal van boswachter Evert Thomas, hieronder.
Lees ook onderin het kader ‘waarom zetten we de mening van een boer hier tegenover de mening van een boswachter’.
„Kijk daar een: een mooie, dikke eikenboom. Daar kun je práchtige planken van maken, waar elke zagerij blij mee zou zijn. Je kunt hier zo een vrachtwagen volladen.”
Natuurlijk kent Prins de verhalen over insecten, vogels en paddenstoelen die blij zijn met het dode hout. Verrommeling is goed voor de natuur. „Daar is ook niks op tegen. Maar inmiddels schiet de balans een beetje door. Je ziet op veel plekken meer dode dan levende bomen. Ik heb dat weleens bij een boswachter aangekaart. Toen kreeg ik de reactie: ‘Wij zijn net zo blij met een dooie boom als met een levende.’ Dat is toch alsof je zegt: ‘Ik ben net zo blij met het kerkhof als met een kerk vol mensen?’”
‘Men doet niks’
Enkele meters verderop is een stukje ondoordringbaar bos ontstaan met dunne boompjes. „Dit moet nodig gedund worden. Bij droog weer valt alles om.” Weer even verderop is het landschap open. „Hier zijn bomen in het verleden gerooid. Nu groeien hier alleen pijpenstrootjes [gras dat de bodem droog trekt, red.]. Ze hadden hier nieuwe bomen moeten planten.”
Met zijn wagen rijdt Prins langs een bord van Staatsbosbeheer. ‘Hier wordt gewerkt aan herstel van natuurlijk landschap’. Prins snuift. „Doe dan ook wat. Wat wordt hier nou hersteld?” Nu Staatsbosbeheer de boel laat verruigen, vraagt hij zich af waar de belastingcenten naartoe gaan. „Ze zitten alleen nog op kantoor. Rapporten schrijven, subsidie aanvragen.”
Prins wijst op de brandgangen in het bos, die ervoor moeten zorgen dat vuur niet overslaat naar andere delen van het bos en dat hulpdiensten sneller ter plaatse kunnen zijn. De gangen zijn onbruikbaar door omgevallen bomen, opschietend struikgewas en heuphoog gras. „Als er brand komt, gaat alles eraan.”
„Ik ben blij dat ik mijn ei hierover kwijt kan”, erkent Prins.
Weidevogels
Even na het bos, rijdt Prins langs boerenweiland. „Vroeger gingen de grutto’s oorverdovend te keer op ons land. Nu zie je ze niet meer.” Vroeger als Prins als tiener bij zijn ouders uit de veld kwam in de vroege ochtend, na het koeien melken – zij waren veehouder – kwam de jachtopziener van het land na het ‘beheren’. Roofvogels, vossen en kraaien schoot hij uit de lucht, zodat weidevogels ruim baan kregen. Nu wordt volgens Prins de kool en de geit gespaard. Nestjes van die paar weidevogels die het nog aandurven in Drenthe zijn kansloos door roofdieren in de bossen van natuurorganisaties.
De opkomst van ooievaars is al helemaal de doodsteek, meent Prins. Langs het Oranjekanaal tussen Zuidveld en Orvelte wijst de voormalig boer naar de elektriciteitspalen. In elke mast zitten drie of vier broedplekken. Vroeger een zeldzaamheid, nu kom je langs één weg tientallen nesten tegen.
Elektriciteitsmast. Foto: Wouter Hoving
Heide
De auto rijdt langs een veld met hoog gras, gebied van Natuurmonumenten. Ze moeten vaker maaien, vervolgt Prins, of laten begrazen. „Er wordt zoveel grond aan de landbouw onttrokken. Er moet almaar meer bij. Laat ze eerst de natuur die ze hebben maar eens goed onderhouden.”
Stikstofprobleem? „Die is er niet”, vindt Prins. Hij wijst op braamstruiken. „Het wordt niet beheerd. Dát is het probleem. Het bemest zichzelf.”
Even later rijdt hij langs een heideveld dat overgenomen wordt door gras. Niet goed, zegt Prins. „Dan brandt me de aansteker in de zak. O wee, zegt mijn vrouw, als jij de heide óóit in de brand steekt.” Hij lacht. ,,Afbranden is dé manier om heide te verjongen.” Hij stuurt de wagen langs een heideveld dat 35 jaar geleden volledig afbrandde ,,Wacht maar, ik laat het je zien. Dit is genieten. Kijk, dit ziet er nog mooi uit. Nóg wel. Maar hier moet veel meer vee op. Anders groeit het allemaal weer dicht.”
Goed, Prins’ punt is duidelijk. Het bos is te rommelig, de velden zijn te ruig. Prins redeneert vanuit een pragmatisch oogpunt. Een beheerde en aangeharkte natuur ziet er niet alleen netjes uit maar dient ook de mens. En dat ander natuurbeheer nu meer nodig zou zijn door een afname van biodiversiteit, durft hij te betwijfelen. „Ik zie in het bos net zoveel dieren als vroeger.”
We zijn fouten uit het verleden aan het herstellen, zegt boswachter Evert Thomas
Evert Thomas (65) bij een aangeplante haagbeuk in natuurgebied Hart van Drenthe. Foto: Wouter Hoving
We zijn de ellende van decennia geleden nog aan het herstellen. Dat zegt boswachter Evert Thomas van natuurgebied Hart van Drenthe. „Dat het zoals vroeger zou moeten, is alleen maar gestoeld op emotie.”
Evert Thomas (65) loopt rond in zijn laatste dagen bij Staatsbosbeheer. Per 1 juni gaat hij met pensioen. Hij zat sinds 1987 in Hart van Drenthe, en daarvoor was hij boswachter voor Zuidoost-Drenthe en Landschapsbeheer Drenthe. ,,Wetenschappelijk onderzoek liegt er niet om. In Nederland komt 80 procent van de kritische soorten alleen nog in natuurgebieden voor. De biodiversiteit holt achteruit.”
Hij staat middenin Nationaal Park Drentsche Aa op een houten brug over het Grolloërveen te luisteren naar de fluitende vogels. Hij wijst op het spontaan ontstane bos om hem heen. Berk, lijsterbes, Drentse krent en vuilboom. „Als we niks doen, wordt dit allemaal bos.” Op veel plekken hier in natuurgebied Hart van Drenthe is dat geen probleem. Dit bos mag verwilderen, terug naar de natuurlijke situatie. Omliggende bossen worden nog multifunctioneel beheerd voor natuur, recreatie en houtproductie.
De natuurkwaliteit is hier door negentig jaar bosbouwgeschiedenis verschrikkelijk afgenomen, stelt Thomas. Saaie eensoortige bossen met buitenlandse naaldboomsoorten verrijkten jarenlang de arme Drentse zandgrond met een dik pakket naalden. Oorspronkelijke bomen zoals de berk, wintereik, haagbeuk, linde en lijsterbes krijg je daarom op natuurlijke wijze moeilijk terug, vertelt Thomas. Hij stapt uit de auto en loopt naar kleine boompjes die zijn aangeplant in een voormalig naaldbos met de Noord-Amerikaanse sitkaspar en Japanse lariks. „Hier hebben we de haagbeuk weer teruggezet die hier van nature thuishoort. Die was bosbouwtechnisch totaal oninteressant.”
Het beheer was gericht op houtproductie, elke vierkante meter werd gebruikt. Een netwerk van sloten ontwaterde het van oorsprong natte gebied. De vennen – de pareltjes in het landschap met zeldzame dieren en planten – gingen hard achteruit. Voor natuurbehoud was Staatsbosbeheer toen niet goed bezig, vindt Thomas. Door de koerswijziging richting wilde natuur ziet hij dieren die lang geleden waren verdwenen, in rap tempo terugkomen. De das, bever, otter, kraanvogel, raaf en wolf. Ook zeldzaamheden, zoals de veenbesparelmoervlinder, zijn door ingrijpen nog aanwezig.
„Mensen weten niet precies wat we hier aan het doen zijn. Dat is ook lastig, we zijn een wiel aan het uitvinden. We hebben altijd keurig onderhouden bossen gehad waar men elke vijf jaar in ging met stokzaagjes, om mooie rechte stammen te krijgen voor kwalitatief goed hout.”
‘Men doet niks’
Het is niet zo dat Staatsbosbeheer niets doet. Medewerkers dempen sloten, sluiten overbodige wandelpaden en herstellen zandruggen. ,,Niet alle schade die in het verleden is aangericht, is te herstellen. Sloten die door leemlagen zijn gegraven, kun je dempen. Maar de leemlaag, die grondwater vervoert, krijg je niet zomaar terug. Hydrologen zijn al jaren bezig met herstel.” In de auto rijdt Thomas naar het midden van het bos, bij de uitkijktoren tussen Elp en Grolloo; de bron van het Drentsche Aa. Een deel van de oude landbouwgrond is hier afgegraven zodat de oorspronkelijke grond aan de oppervlakte ligt. „Het resultaat is geweldig. De kwel komt terug, we zien weer zeldzame soorten en het gebied blijft permanent moeras waar bijvoorbeeld bevers huizen.”
Evert Thomas (65) bij een aangeplante haagbeuk in natuurgebied Hart van Drenthe. Foto: Wouter Hoving
Toch is de aanklacht ‘men doet hier niks’ wel een beetje terecht. Dat is namelijk ook de wens hier: zelfregulatie zonder menselijk ingrijpen. Niet – zoals nu – koeien die hier en daar grazen, maar grazende edelherten en woelende zwijnen. En inderdaad: in die nieuwe visie worden bijvoorbeeld brandgangen niet meer onderhouden. „Wij richten het gebied niet in op beheersbaarheid voor brand of bereikbaarheid voor hulpdiensten. Dan kan je beter elders wandelen, hier kom je voor een stukje ‘wildernis’.”
Dus liggen er veel omgevallen bomen. Deels komt dat door de letterzetterkever, die na twee droge zomers veel fijnsparbossen heeft platgelegd. Deels is het beleid. Thomas kan de kritiek op omgevallen bomen best begrijpen. De eerlijkheid: ook binnen Staatsbosbeheer zijn er discussies tussen collega’s van het oude ‘bosbouwstempel’ en anderen die voor ecologie gaan. „Opgeruimdheid zit in de Drentse aard. Vroeger werd hier op zaterdag in de dorpen alle erfjes aangeharkt. Op het zand moest je de harkstreepjes nog zien staan. Voor de natuur heeft dat geen waarde.”
,,Het is snel de neiging om overal altijd met de vingers aan te zitten en elke vierkante meter te benutten.” Zo herinnert Thomas zich die keer dat hij met een boerin in het gebied was, die grond had afgestaan aan Staatsbosbeheer. „Op het voormalige boerenland stonden berken en andere boompjes. Dat vond ze zó zonde, dit was zúlke goede landbouwgrond.”
Heide en weidevogels
Toch zal Staatsbosbeheer moeten blijven ingrijpen. Bijvoorbeeld voor heide, wat anders langzaam in bos verandert. „Dat is bij ons een discussie”, vertelt Thomas. „Op sommige plekken zien we de waarde ervan en blijven we ingrijpen. Er leven adders, hagedissen en heivlinders.” Afbranden voor verjonging staat niet op de agenda. Op zich zou het kunnen. Maar volgens Thomas is er zoveel stikstof neergeslagen, dat het effect van branden sneller dan vroeger tenietgedaan is.
Tot slot: hoe zit het met de aanklacht dat dit natuurbeleid ervoor zorgt dat weidevogels het moeilijk hebben? Immers: de roofdieren in deze bossen – de buizerds, marters, vossen, kraaien, uilen – zijn verantwoordelijk voor eierroof en opgegeten kuikens. Is beheer bespreekbaar om de weidevogels een kans te geven?
„Als je doelt op dat we alles doodschieten, dan is het antwoord nee”, zegt Thomas stellig. „Als dat de oplossing is om natuur te beheren, dan vind ik dat een foute benadering. Ik vind het ook heerlijk om grutto’s, tureluurs en kieviten te horen roepen, maar als je die wilt behouden, dan moet je boeren zoals vroeger: minder intensief en met ruige stalmest.”
Breder gedragen klacht
Een boer tegenover een boswachter. Is het journalistiek te verantwoorden om beide partijen aan het woord te laten over natuurbeheer? In dit geval wel, omdat de klacht van Geert Prins een breder gedragen gevoel is.
Dat merkt bijvoorbeeld Johan Moes, voorzitter van de Drentse Boermarken. De Boermarken zijn gezamenlijke (natuur)gronden die al eeuwen beheerd worden door een collectief van boeren en grondgebruikers. Nu nog op 81 plekken in Drenthe.
„Ik hoor de klachten bij veel mensen om me heen, een gedeelte van de stemmen van de BoerBurgerBeweging bij de laatste politieke verkiezingen komt ook uit onvrede over natuurorganisaties, denk ik. Er mag niks meer in die natuurgebieden. Er zijn meer ecologen aan het beheren dan praktische boswachters. Ze laten dood hout liggen, vroeger gebeurde dat echt niet. Alle mensen sleepten dat mee om warm te worden. En voor de bodem is het niet goed, het verzuurt.”
„Ik heb zelf een stukje kunnen overnemen van Staatsbosbeheer, met bomen en een oude landweg. Ik durf de stelling aan dat daar mooiere bomen staan dan onder het beheer van Staatsbosbeheer. Ik zorg dat ik de prunus (sierkers) eruit trek en alleen mooie bomen zoals de eiken overhoud.”
Moes is zelf geboren en getogen aan rand van Drents-Friese Wold. ,,Ik heb veel dingen zien veranderen. De oude hooilanden van boeren zijn onbruikbaar doordat er niet meer gemaaid wordt. Pas in oktober, als het veel te nat is, gaat men er met rupsbanden heen.”
Delen die vroeger heideveld waren, zag Moes veranderen in bos. Zonde, afbranden zou volgens hem een goede oplossing zijn. „Maar natuurorganisaties zijn te bang om dat te doen. Dat komt omdat ze precies weten op welke vierkante meter welk torretje leeft. Als er bosbrand is, dan staan ze met tranen in de ogen te kijken. Vroeger staken we gewoon wat in de brand, en dan zagen we na die tijd wel wat er allemaal zat.”
„Als je natuurbeheerders dan een jaar later vraagt hoe het met het afgebrande stuk gaat, zijn ze laaiend enthousiast over het heideherstel.”