Schrijver Gerrit Brand (links) overhandigt het eerste exemplaar van zijn roman 'Naar Beiroet' aan journalist Jan Keulen. Foto: Suhaila Sahmarani
De romanpersonages van Gerrit Brand houden van het goede leven. In ‘Naar Beiroet’ wordt dat onder het mom van zelfverdediging verstoord.
Maar eerst is er een vertrouwde mededeling, op bladzijde 6: ‘Dit is een fictief werk. Elke gelijkenis met bestaande personen, levend of dood, gebeurtenissen of locaties berust op louter toeval’.
Wat moeten we onder dit gesternte aan met galeriehouder Edgar Laseur uit Groningen, die zijn ingedutte handel en wandel nieuw leven wil inblazen? Die daartoe naar Libanon reist, volgens een bevriende arabist een ideale springplank naar het grote geld van Qatar, de Emiraten en Saoedi-Arabië. Geld, daar houdt Edgar van. Net als van vrouwen.
In het vervallen Beiroet laat de opportunistische Edgar zich rondleiden door een fotografe, Fatima. Ze neemt hem mee naar galeries waar niets verkoopbaars wordt gevonden. Daarna brengt ze hem in contact met een jonge kunstenares op het platteland. Zij maakt spectaculair werk waarin mensen als dieren worden afgebeeld en andersom. Edgar sluit een deal voor een verkooptentoonstelling.
Dan valt Hamas Israël aan. Dat gebeurt hemelsbreed zo’n 200 kilometer verderop, maar zorgt voor veel onrust in het deel van Libanon waar de Hezbollah-beweging het voor het zeggen heeft. Fatima toont de plaatselijke achtergronden bij het wereldnieuws. Het beeld van de Groninger kunsthandelaar kantelt: de staat Israël valt van zijn voetstuk. Hoezo fictief? Wie maalt er nog om kunst?
Glossy’s en speelfilms
In eerdere boeken toonde Brand (Zwolle, 1956) zich gematigd kritisch op de tijdgeest. Veel was vroeger beter: de auto’s en literatuur bijvoorbeeld, je mocht nog gewoon roken en onbekommerd vliegen, vrouwen waren in voor een avontuurtje, het geld rolde. In Naar Beiroet heeft het masculiene en melancholische verlangen naar de tijd van glossy’s en Franse speelfilms gezelschap gekregen van cynische geopolitiek.
Brand schrijft het schijnbaar laconiek op, wat Naar Beiroet tot een ontspannen leeservaring maakt. Soms is hij uitleggerig. Bij vlagen is hij grappig, bijvoorbeeld wanneer hij zich na een beschrijving van het weer rechtstreeks tot de lezer richt: ‘Ik hou het maar even vaag, want als je exacte cijfers gaat geven horen ze te kloppen en er zijn altijd lezers die het natrekken.’
Hij is op zijn best wanneer hij zijn hoofdpersoon laat worstelen met existentieel zelfverwijt: ‘Edgar begrijpt zelf niet goed waarom hij dit soort onzin staat uit te kramen. Inhoudsloos geklets, meer was het niet. Waarschijnlijk omdat het leven nu eenmaal weinig om het lijf had. Je kon doen en laten wat je wilde – uiteindelijk maakte het niets uit.’
Ondertussen gaan de pogingen tot handel gewoon door, ook in de kunst – je zou het de Harry Mens-doctrine kunnen noemen. Lekker, zo’n leven.
Het slot is verwarrend. Brand laat tijdens de opening van de expositie in Groningen de vrouw van de Libanese ambassadeur beweren dat de Israëliërs die Palestina hebben gekoloniseerd geen Semieten zijn, maar Joden uit Oost-Europa die nu Palestijnen uitroeien. Even later voert hij een man uit Ghana op die iedereen spiegel voorhoudt en stelt dat ieder mens vanuit zijn eigen cultuur oordeelt. Zo is het, maar gerustellend is anders.