‘Eerste liefde’ is het thema van de 87ste Boekenweek. Cultuurredacteur Job van Schaik herlas na ruim 30 jaar de gelijknamige novelle van Ivan Toergenjev.
In de literatuur waren de oude Russen mijn eerste grote liefde (naast Louis Couperus, maar dat was eigenlijk ook een halve oude Rus). Tussen mijn 18de en 25ste levensjaar las ik alle meesterwerken uit de 19de eeuw die in de onvolprezen Russische Bibliotheek van uitgeverij Van Oorschot verschenen. van Tolstoj, Dostojevksi’s en , de verhalen van Tsjechov, van Gogol – het werden liefdes voor het leven.
Drie mannen en hun eerste liefdes
Het werk van Toergenjev (wiens naam destijds overigens nog op een ‘w’ eindigde) heb ik tot vorige week evenwel nooit meer ter hand genomen. Vraag me niet waarom. Nu ik na ruim 30 jaar zijn novelle uit 1860 heb herlezen, begrijp ik het nog veel minder. Want wat een tijdloos meesterwerk is dat verhaal over een eerste verliefdheid.
In (dat is opgedragen aan een literatuurcriticus, dat gebeurde toen nog) blikken drie mannen terug op hun eerste liefde. Twee van hen zijn in een paar zinnen klaar. ‘Ik heb geen eerste liefde gehad’, zegt de ene. ‘Ik ben direct met de tweede begonnen.’ De ander trouwde met zijn eerste liefde en vindt dat geen verhaal. Wladimir, de derde man, besluit zijn ‘niet zeer alledaagse’ eerste liefde voor zijn vrienden op schrift te stellen.
Het fijnzinnige relaas van de kalverliefde die hij als 16-jarige opvatte voor zijn buurmeisje, de vijf jaar oudere Zinaïda, speelt zich af in de zomer van 1833, in en rond een landhuis even buiten Moskou. Wladimir verblijft daar enkele maanden met zijn bijna 40-jarige vader en tien jaar oudere moeder. Zina en haar moeder, een oude vorstin die financieel aan de grond zit, nemen hun intrek in een vleugel van de villa en Wladimir raakt volledig in de ban van de jonge adellijke vrouw.
De jongen die zich laat bespelen
Probleem is: hij is niet de enige. Het meisje weet zich dagelijks omringd door vijf oudere aanbidders, die ze als een volleerd poppenspeler naar haar pijpen laat dansen, een lot dat ook de naïeve Wladimir treft. En dan is er op de achtergrond nog iemand anders, degene voor wie Zinaïda zelf amoureuze gevoelens opvat. Toergenjev beschrijft weergaloos, met prachtige details en terloopse bijzinnetjes, de verwarring die een eerste verliefdheid oproept en de ermee gepaard gaande tegenstrijdige gevoelens.
De gewilligheid waarmee de jongen zich laat bespelen door de frivole en kokette Zina, in de hoop, tegen beter weten in, dat zijn gevoelens misschien toch beantwoord worden, is even charmant als pijnlijk. Leven is lijden en liefde is lijden in een verhevigde vorm, lijkt hier het motto (met op de achtergrond altijd de dood als uitkomst). Dat komt nog heftiger naar voren in de heimelijke liefde van Zina voor de onbekende (die uiteindelijk toch niet zo onbekend blijkt), en die misschien wel de echte ‘eerste liefde’ is in deze novelle (waar nochtans ook een zweep aan te pas komt).
Erg gelukkig in de liefde was de schrijver niet
‘Wat is er in vervulling gegaan van alles wat ik hoopte’, vraagt Wladimir zich aan het slot van de novelle enigszins wanhopig af. Niet veel, zoals het leven zo vaak op teleurstellingen uitloopt. Koester daarom je herinneringen, ook al zijn ze soms pijnlijk.
Naar Toergenjevs eigen zeggen is gebaseerd op een persoonlijke jeugdervaring. Erg gelukkig in de liefde was de schrijver ook later in zijn leven niet met zijn obsessie voor de getrouwde Franse zangeres en componiste Pauline Viardot.
Misschien was ik als prille twintiger te jong om de subtiliteiten en het psychologische inzicht van Toergenjevs weemoedige ode aan de jeugdtijd te vatten (of kon ik de schoonheid van de licht-archaïsche vertaling van Carl en Rebecca Ebeling niet waarderen). Maar wat een schitterend proza heeft zijn lijden aan de liefde opgeleverd. Binnenkort maar eens herlezen.