Oud-bestuurslid Nederlands Stripmuseum in Groningen verkoopt zijn 70.000 albums. Hans Matla: 'Twee keer per week gaan 50 tot de rand gevulde bananendozen de deur uit'
Stripverzamelaar Hans Matla in zijn archief dat 70.000 stripboeken en 100.000 striptijdschriften telt. Foto: Frank de Roo
Oud-uitgever en stripantiquaar Hans Matla (1949) verzamelde in zijn leven 70.000 strips – pardon, stripboeken – en metselde de grootste collectie van Nederland. Zijn levenswerk staat sinds enkele jaren in de etalage. „Twee keer per week gaan er vijftig tot de rand gevulde bananendozen de deur uit.”
Hans Matla staat in de deuropening. Hij is met zijn maanlange witte haren en zijn karakteristieke sneeuwwitte pak een verschijning die je met moeite over het hoofd ziet. „Tja, waarom wit? Omdat ik een kleurloze figuur ben, denk ik. Vind ik zelf dan. Maar ik ben dan wel weer de leukste thuis. Vind ik trouwens ook zelf.”
‘Thuis’ is een monumentaal hoekhuis in het chique Statenkwartier in Den Haag. Hier voedde hij zijn kinderen op, hier leidde hij zijn uitgeverij en hier bewaart hij verspreid over veertig reusachtige archiefkasten zijn immense stripverzameling. „Zeventigduizend stripboeken en honderdduizend striptijdschriften. Ja, ja, dat is niet weinig.”
Zes heipalen dragen 45 ton papier
Dat is een understatement. Matla bezit de grootste collectie stripboeken die in het Nederlands zijn verschenen. „Dus alle Nederlandstalige stripboeken in elke editie die tussen 1858 en 2012 zijn verschenen. Van een bepaalde Asterix-albums heb ik 25 varianten. Dan komt er bijvoorbeeld een nieuwe druk met een nieuwe omslag. Ja, die moet ik dan natuurlijk ook hebben.”
Alles?
Hij glimlacht. „A – l – l – e - s. Alles.”
Ook alle undergroundstrips?
„A – l – l – e – s.” Hij zingt het bijna. „Alles.”
Anderhalve eeuw aan strips is een behoorlijk gewicht. „45 ton, mijnheer! Alstublieft. Het archief bevindt zich in de garage. Een mens moet immers kiezen: of de auto of de strips buiten de deur zetten. Ik heb zes heipalen in de grond laten trillen. Daar werd vervolgens 16.000 kilo gewapend beton over gestort. Dat intrillen was een ontzettend kabaal. Nee, dat zal destijds voor de buren niet leuk zijn geweest, maar ik ben nog steeds welkom bij het straatfeest, hoor.”
De oud-uitgever bij de deur die leidt naar zijn collectie stripboeken. Foto: Frank de Roo
Hij spreidt zijn armen. „Ja, hoe begint zoiets? Hoe begint een verzameling? Eerst wil je alle Buck Danny’s, daarna wil je alle Suske en Wiske’s en dan ga je maar door. Zo begint het. Ik heb al sinds 1956 een abonnement op de Donald Duck, ik vermoed dat ik hiermee toch wel een of ander record heb behaald.’’ De Donald Duck was ook het begin van zijn verzameling. ,,Ik mocht ze, als mijn broertjes de Duck gelezen hadden, houden en ik bewaarde ze zorgvuldig.”
‘Mijn moeder was een engel in mensengedaante’
Matla groeide op in Den Haag. „Zoiets ik ben, dan ben ik een Hagenaar, zei de schrijver Louis Couperus en dat ben ik met hem eens.” Zijn moeder was de ruggengraat van het gezin. „Na de oorlog was er nog weinig te koop. Mijn moeder kocht van alles op, voornamelijk kleding en huishoudelijke gebruiksartikelen, en begon in de Frederikstraat een winkeltje in tweedehands goederen. Wat mijn vader deed?”
Hij grinnikt. „Goeie vraag. Hij deed van alles en nog wat. Dan startte hij een verhuisbedrijfje om vervolgens een café te beginnen. Alles mislukte. En hij zat ook achter de vrouwen aan. Ik heb helaas nooit meer dan twee verstandige woorden met hem kunnen wisselen. Hij was er wel, maar ook weer niet. Maar mijn moeder was echt een engel in mensengedaante. Ze had een winkel en zorgde voor haar zes kinderen. Hoppa!”
Hij lacht teder. „Ze hield zo veel van mijn vader. Arme schat.”
Na drie klassen lagere school hield Matla het onderwijs voor gezien. „Ik heb nooit gestudeerd. Ik leerde het alfabet en ik heb tot tien leren tellen. Kortom, ik kon zinnetjes maken en rekenen. Later heb ik nog wel een boekhouddiploma gehaald. Ik heb van alles gedaan, zoals sokken en onderbroeken inpakken in een groothandel voor textiel. Vijf jaar later was ik boekhouder bij een vereniging van huiseigenaren. Na een jaar of twee wist ik: een kantoor is helemaal niks voor mij. Ik wilde gewoon zelf bepalen wat ik wel of niet wilde doen en niet een ander laten bepalen wat ik moest doen. Ik nam ontslag en kreeg een hoekje in de winkel van mijn moeder waar ik strips begon te verkopen. Ik had er inmiddels al een stuk of tweeduizend dubbel. Die albums verkocht ik daar. Maar er kwamen ook mensen om hun strips aan mij te verkopen, waardoor ik mijn eigen verzameling kon uitbreiden. Uiteindelijk nam ik de hele winkel van mijn moeder over. Zo is het Stripantiquariaat Panda begonnen.”
‘Hoe noem je een ouder die zijn kind verliest?’
Matla trouwde op zijn 19de. „We kregen twee kinderen. Ons dochtertje Wendy is helaas overleden. Dat is nu veertig jaar geleden. Ze was 10 jaar toen ze een blindendarmontsteking kreeg. ‘Komt allemaal wel goed’, zei de arts. Ik hoor het ‘m nog zeggen. Ja, wat gebeurt er met je als je kind sterft? Je wilt dan zelf ook dood, maar dat kon niet, want we hadden nog een dochter. Het eerste halfjaar was een hel en het anderhalf jaar dat volgde ‘slechts’ een verschrikking. Maar je moet door, dus dat deden we ook, ook al is er dan een stuk van je ziel afgescheurd. Weet je hoe ze een kind noemen dat zijn ouders verliest? Precies, een wees. Maar hoe noem je een ouder die zijn kind verliest? Daar is geen woord voor, ook niet in andere talen. Gelukkig werden we daarna gezegend met nog twee prachtige kinderen, die als grote pleisters de wond bedekken. Maar die wond gaat nooit meer dicht. En nu een ander onderwerp, alsjeblieft.”
Een altaartje met voorwerpen die herinneren aan zijn overleden dochter Wendy staat rechts naast de schouw. Foto: Frank de Roo
Hij wijst naar boven en glimlacht. „Onze jongste dochter woont nu hier met haar gezin op de bovenste verdieping.”
Matla zit achter zijn bureau van wat eens het kloppend hart van zijn uitgeverij was en dat nog steeds zijn liefde voor de strip weerspiegelt. Een speelgoed-Marsupilami zit olijk op een lamp. Achter hem hangt boven de vier foto’s van zijn kinderen een grote kleurtekening van Marten Toonder (1912 – 2005), de schepper van Tom Poes en heer Olivier. Het is de laatste tekening uit Het einde van eindeloos, het laatste Bommel-verhaal. Tom Poes verdwijnt met een knapzak over de schouder voorgoed uit beeld, broedend nagekeken door een raaf, terwijl het vertrouwde slot Bommelstein zich in een goudgele avondlucht koestert.
Bevriend met Toonder? Kun je met de koning bevriend zijn?
„Achteraf vind ik het zó bijzonder dat ik al die groten van de stripwereld in huis heb gehad: Marten Toonder, maar ook Hans Kresse, Don Lawrence, André Franquin, Willy Maltaite, Piet Wijn, Dick Matena. Ik had veel contact met Toonder, maar ik weet niet of ik hem een vriend mag noemen. Kun je met de koning bevriend zijn? Hij mocht je of hij mocht je niet. Ik wist dat hij bepaalde mensen niet mocht, maar dat merkte je bijna niet aan hem. Hij gedroeg zich altijd als een heer. In het begin was ik voor hem niet meer dan weer zo’n uitgever die iets van hem wilde.”
Een schilderij van Marten Toonder hangt op de achter achter Matla's bureau. Het is een scène uit het laatste Bommel-album: het einde van eindeloos. Foto: Frank de Roo
„Ik weet nog dat we over het contract voor de heruitgave van Bommel onderhandelden. Hoe harder ik duwde, hoe minder hij meeboog. Ja, da’s weer die koning, hè. Die kun je niet duwen, zo werkt dat niet. Zij bepalen, zij delen de lakens uit. Toonder woonde toen al in Ierland met zijn vrouw Phiny [schrijfster en illustratrice Phiny Dick, red.]. Dat afrondende gesprek vond plaats in de lounge van Hotel de l’Europe in Amsterdam, waar hij altijd resideerde wanneer hij in Nederland was. Toen wij daar al een poosje zaten, kwam Phiny bij ons zitten. Marten stond meteen voor haar op en ging pas weer zitten, toen zij plaats had genomen. Ik weet nog dat ik toen dacht: dit is een heer. Zo hoort het. Enfin, we kwamen tot een overeenstemming en hij begeleidde mij naar de garderobe. Ik zei ten afscheid ‘Dank u wel, mijnheer Toonder. Ik ga het contract in orde maken.’ Na mij in mijn jas te hebben geholpen zei hij: ‘Ik heet Marten, hoor.’”
Ik mocht Marten zeggen
Hij schudt lichtelijk verbijsterd zijn hoofd. „Je kon mij op dat moment weggooien. Ik mocht ‘Marten’ zeggen!” Matla grinnikt zachtjes, terwijl hij bijna in zichzelf mompelt: „‘Ik heet Marten, hoor’. Kijk, dat is nou stijl.”
De heruitgave werd een groot succes. „Ik kan zelf niet veel, maar ik geef nooit op. Ik ga altijd door. Maar wat ik blijkbaar wel kan, is het werk van kunstenaars in een naar mijn idee verantwoorde uitgave uitgeven, zodat velen van dat scheppende werk kunnen blijven genieten.”
Hij wijst naar een als boekenkast vermomde deur die naar het archief leidt. „Maar zullen we eens een kijkje nemen?’’ In de garage heerst een bijna plechtige stilte. Aan een knaapje hangt een geruit Bommel-colbertje. Matla draait aan een wiel en een van de archiefkasten opent zich, waardoor rijen en rijen strips zichtbaar worden. Blueberry, Donald Duck, Tanguy en Laverdure, Tardi, Michel Vaillant, Agent 327 en Tom Poes: de schappen dragen elke denkbare strip die ooit in het Nederlands is verschenen. ,,Dus ook de 100.000 striptijdschriften, zoals de DonaldDuck, Pep, Sjors, Robbedoes, Kuifje, ’t Kapoentje, de Tina…”
Alle Tina’s?
„A – l – l – e – s.”
Oh ja.
De albums zijn keurig gealfabetiseerd. De ‘S’ vertoont een gapend gat. „Alle Suske en Wiske’s zijn inmiddels verkocht.” Uitgever Ton Mackaaij van uitgeverij Cliché komt wekelijks langs om met welgevulde verhuisdozen weer te vertrekken. „Hij verkoopt de albums voor mij.” Maar er is nog genoeg over. „Ik denk dat er inmiddels iets van 10 procent is verkocht.”
Strip van 15.000 euro al verkocht
Hij blijft even hangen bij de ‘B’ en reikt naar een van de schappen. Even later houdt hij een fonkelgaaf exemplaar van Het geheim van de Zwaardvis uit de Belgische stripreeks Blake en Mortimer vast. Het eerste stripverhaal uit deze reeks van Edgar P. Jacobs verscheen in 1946. „Deze kost iets van 1500 euro. Een behoorlijk bedrag, maar ik had er nog een van 15.000 euro. Die is al verkocht.”
Hans Matla bezit de grootste collectie Nederlandstalige strips ter wereld. Foto: Frank de Roo
Voor een stripliefhebber is een rondgang door Matla’s archief een haast gekmakende bezigheid. Waar te kijken? Wat vast te houden? Er is zo ontzaglijk en verpletterend veel. De Grote Drie – Marten Toonder, Hans G. Kresse (Eric de Noorman) en Pieter Kuhn (Kapitein Rob) zijn nog steeds ruim vertegenwoordigd.
„Oh ja, jij hebt iets met Kuhn toch?” Hij wandelt naar ‘K’ en pakt een map. „Kijk hier maar eens.” Hij toont een bundeltje flinterdun, wit papier waarop met een typemachine is geschreven. „Alsjeblieft, het eerste scenario van Kapitein Rob, geschreven door mevrouw Weinanda Aberson. Hoe ik hier aan kom? Ja, hoe komt een hond aan zijn vlooien?”
Merkwaardige gedachte dat alle strips, ja, ook de kasten zelf, over niet al te lange tijd zijn verdwenen. En dit is niet de enige collectie die in het ruim bemeten huis bivakkeert. Matla is ook een verwoed verzamelaar van het werk van Louis Couperus. „Kom, dan nemen we een kijkje.”
‘Ik wil mijn nageslacht niet met mijn collectie opzadelen’
De lift, waarin een schilderij van Marten Toonder hangt, brengt hem naar de eerste verdieping. Naast de salon die de eerste drukken van Gerard Reve, Jules Verne en W.F. Hermans huisvest, hangt boven een deur een echt straatnaambord: Eline Verestraat, genoemd naar het hoofdpersonage uit een roman van Couperus. De deur biedt toegang tot het heilige der heiligen: zijn Louis Couperus-collectie. Voor de jugendstilbanden die de boekenplanken vullen, betaalde hij een niet te onderschatten som. Zijn hand streelt de banden. „Prachtig toch? En die taal. Och, wat kon die man schrijven. Ik heb trouwens net weer Eline Vere herlezen.”
Matla is eveneens een verwoed verzamelaar van het werk van Louis Couperus. Foto: Frank de Roo
Niet iedereen heeft een lift in huis en er zijn nog minder die de wand met een echte Toonder hebben gedecoreerd. Foto: Frank de Roo
Maar ook Couperus wordt onverbiddelijk de deur gewezen. „Ik wil mijn nageslacht niet met het probleem opzadelen om al die boeken te verkopen. En de Koninklijke Bibliotheek wil ze niet.”
Zijn gezicht vergramd. „De collectie strips was aanvankelijk getaxeerd op 9 miljoen euro. De KB heeft zelf ook nog een taxateur ingeschakeld. Die kwam op 1,8 miljoen. De KB bood vervolgens 1 miljoen.” Hij snuift. „Een miljoen! Dan laat ik nog liever tien vrachtwagens voorrijden om de collectie op het Malieveld in de hens te steken. Kom nou, zeg. Ik heb er in zestig jaar tijds maar liefst 2,3 miljoen ingestopt. Dan ga ik het toch niet uitdelen? Ik sta niet op de markt. Dat is gewoon ongepast.”
Alles moet weg. Alles? Alles
De verkoop is als een zeurende pijn. „Het is lastig, want ik houd van elk boek. Elk exemplaar heeft zijn eigen verhaal. Ik weet precies wanneer en waar ik het kocht. Maar ik ben nu 74. Nog 2040 dagen en dan word ik waarschijnlijk 80. Dat is voor mij de eindstreep. Alles meer zijn bonuspunten, alles minder strafpunten. Gerard Reve zei het al: linksom of rechtsom, het is altijd in orde: òf je blijft leven òf je gaat dood. Nou, dat klopt. Dus alles moet uiteindelijk weg.”
Alles?
„A – L – L – E – S.”
Oh ja.
Stripkatalogus
Sinds 1976 verscheen met enige regelmaat Matla’s Stripkatalogus, hèt naslagwerk voor stripverzamelaars dat een uitgebreid overzicht biedt van alle verschenen albums en tijdschriften, inclusief de auteursnamen en pseudoniemen, de uitgevers, jaartallen, achtergrondinformatie en de richtprijzen die op dat moment golden.
Medeoprichter Nederlands Stripmuseum
Hans Matla was jarenlang bestuurslid van het Nederlands Stripmuseum in Groningen. Hij werd vooral bekend als verzamelaar en deskundige van het werk van Marten Toonder en Hans G. Kresse. Matla publiceerde onder meer de officiële Bommelkatalogus waarin alle verhalen van Toonder zijn gecatalogiseerd.
Hij was eigenaar van Stripantiquariaat Panda (1970–2000), van Stripgalerie Panda (1980–2000) en nog steeds van Uitgeverij Panda. Zo begon hij vanaf 1976 met luxe heruitgaven van het werk van Hans Kresse en Marten Toonder en vele anderen.
Matla hielp ook mee met de oprichting van de stichting De Kressekring en Het Haegsch Bommel Genootschap. Hij werd in 2018 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.