Kortgeleden waren we uitgenodigd voor een boekpresentatie. Niet zomaar een presentatie, maar de verschijning van een nieuw boek van mijn broer. U begrijpt, daar wilden wij natuurlijk bij zijn.
Samen reisden we af naar het Veenkoloniaal Museum in Veendam. Die plek bleek de perfecte plaats voor de presentatie van het boek Van Surabaya naar Stadskanaal.
Het verhaal speelt zich namelijk grotendeels af in de Veenkoloniën en gaat over een klein jongetje dat als slaaf werd gekocht en uiteindelijk in Veendam terecht kwam. Daar kreeg hij de naam Jan van Oost. Een van de eerste gekleurde inwoners van de streek. Aan de hand van zijn leven ontvouwt zich ook het grotere verhaal van de veenkoloniën; van groei en welvaart naar onzekerheid, armoede en uiteindelijk een voedingsbodem voor sociale bewegingen van socialisten, anarchisten, antimilitaristen en nog veel meer -isten waar je tegenwoordig bijna een woordenboek bij nodig hebt.
Mijn broer, die niet alleen goed kan schrijven maar ook het talent heeft om elk gesprek ongemerkt in een verhaal te doen laten veranderen, vertelde over zijn onderzoek. Over archieven, toevallige vondsten en die typische momenten waarop geschiedenis ineens niet meer stoffig is, maar bloedstollend spannend.
En terwijl ik daar zat, viel het kwartje steeds harder op de grond: Jan van Oost is geen voetnoot in een boek. Hij is familie en ik ben een van zijn nazaten.
Dat is zo’n besef dat niet netjes in één emotie past.
Dat besef roept gemengde gevoelens op. Aan de ene kant voel ik me trots dat zijn bijzondere verhaal nu wordt verteld en niet verloren gaat in de geschiedenis. Aan de andere kant maakt het me verdrietig om stil te staan bij de omstandigheden waarin zijn leven begon. Het is vreemd hoe een verhaal uit een ver verleden ineens heel dichtbij kan komen.
Aan het einde van de middag werden alle nazaten van Jan van Oost gevraagd zich op de trap van het museum te verzamelen voor een groepsfoto. Ik dacht nog snel even naar het toilet te kunnen want meestal duurt het een hele poos voordat een gezelschap van een man of dertig eindelijk klaar staat. Dat bleek een verkeerde inschatting. Toen ik terugkwam, was de foto al gemaakt. Doodzonde, het was een unieke foto geweest
Jan van Oost vertrok in 1810 naar Europa. Dat is 220 jaar geleden. In die tijd stelde Emmen nog weinig voor. Rond de Grote Kerk woonden ongeveer driehonderd mensen in een tachtigtal voornamelijk rietgedekte boerderijen. Geen dierentuin, geen ziekenhuis, geen woonwijken en al helemaal geen filevorming op de Rondweg. Dat is lastig voor te stellen. Maar wat helemaal niet lukt is om je te bedenken hoe Emmen er in 2245 uit zal zien…
Misschien is dat wel de mooiste les van deze middag: geschiedenis gaat niet alleen over waar we vandaan komen. Ze laat ons ook beseffen dat wijzelf onderdeel zijn van een verhaal dat nog lang niet af is.