Het Noorder Dierenpark in de oorlogsjaren. Foto: gemeentearchief emmen
Het Noorder Dierenpark in Emmen bood tijdens de Tweede Wereldoorlog onderdak aan achttien onderduikers. Overdag werkten ze verkleed als oppasser of tuinman in het park, ‘s nachts sliepen ze boven de olifanten en de leeuwen in de Wilde Dierengalerij. Allen overleefden de oorlog.
Emmen, begin 1945. De staf van de sinds kort in Emmen woonachtige Duitse commandant Friedrich Christiansen wandelt door het Wildpark van het Noorder Dierenpark. De mannen hebben alle ruimte, want in de wintermaanden is de dierentuin gesloten voor publiek. De enige mensen die ze tijdens de wandeling tegenkomen, zijn medewerkers van het park. Op een gegeven moment weet de druk discussiërende staf van de commandant niet meer hoe ze het Wildpark uit moet komen. Een harkende tuinman wordt aangesproken, die het Duitse gezelschap vervolgens keurig naar de uitgang begeleidt Als dank krijgt de man uit een zilveren sigarettendoos enkele sigaretten
Een bijzonder verhaal? Jazeker! De man die staf van de hoogste Duitse militair in Nederland de weg wees, was in werkelijkheid geen personeelslid van het park. Hij was een onderduiker. ,,In totaal vonden in de Tweede Wereldoorlog achttien onderduikers een veilige plek in de dierentuin’’, zegt Jan Oosting (73) uit Hardenberg. ,,Mensen die wat langer bleven, trokken een overall aan en gingen er overdag aan het werk. Zo vielen ze het minst op. Die dag waarop die Duitsers de weg kwijt waren, was niet de enige keer dat de bezetter in het park zogenaamde medewerkers tegenkwam. Dat gebeurde wel vaker en dan werd er gewoon een praatje gemaakt. Het ging altijd goed.’’
Het Noorder Dierenpark in de oorlogsjaren. Foto: gemeentearchief emmen
Jan Oosting weet veel van de historie van het Noorder Dierenpark. Zijn vader Willem Oosting was de oprichter. Op Hemelvaartsdag 1935 kon het publiek voor het eerst naar binnen. Maar liefst vijfduizend mensen passeerden de kassa’s. Enkele dagen daarvoor had de Emmer burgemeester Jan Liebe Bouma in het bijzijn van een flink aantal genodigden de officiële opening verricht. In zijn toespraak prees hij de moed en de ondernemingsgeest van Willem Oosting en zei dat er in Emmen daadwerkelijk ‘iets grootsch’ tot stand was gekomen. ,,Bouma was een vooruitstrevende burgemeester en mijn vader kon aanvankelijk prima met hem overweg. In de oorlog veranderde dat. Bouma werd in 1941 lid van de NSB en vanaf dat moment hield mijn vader afstand.’’
Nadat de Duitsers in mei 1940 ons land binnen waren gevallen, probeerde Willem Oosting zijn park zo goed mogelijk door te laten draaien. Om in trek te blijven bij het publiek, werden verblijven opgeknapt en kregen sommige dieren een andere plek. Ondanks de strenge distributiebepalingen en controlemaatregelen van de Duitsers lukte het Oosting om in 1941 nog twee wagonladingen met nieuwe dieren naar Emmen te halen. Het ging onder meer om enkele emoes, waterbuffels, wolven en damherten. Ook werden een bizon, een jakhals en wrattenzwijn aan de collectie toegevoegd. In datzelfde jaar werd een abattoir achter de ijsberenrots gebouwd. In de bijbehorende koeling konden twaalf tot veertien karkassen van koeien worden bewaard.
De entree van het Noorder Dierenpark op Tweede Pinksterdag 1941 Foto: gemeentearchief emmen
In augustus 1941 werd het park opgedragen om een bordje met daarop de tekst ‘Verboden voor Joden’ te plaatsen. ,,Daar voelde mijn vader niets voor, hij zorgde er steeds voor dat dit bordje zoek was’’, zegt zoon Jan. Naar mate de oorlog vorderde werd het lastiger om aan voldoende voer voor de dieren te komen. Stro, hooi, graan, suikerbieten en wortels waren moeilijk te krijgen. De Emmer schooljeugd maakte zich verdienstelijk door ieder najaar grote hoeveelheden eikels en kastanjes bij elkaar te zoeken en die tegen een zacht prijsje te verkopen aan het park. De bakkersafdeling van de ambachtsschool leverde brood. Om de roofdieren met vlees in leven te houden, fokt Oosting zoveel als mogelijk met waterbuffels, bizons en kamelen.
Rond de jaarwisseling van 1942/1943 kwamen de eerste onderduikers in de dierentuin. Jan Oosting: ,,De allereerste was een man die op de vlucht was omdat hij niet tewerkgesteld wilde worden in Duitsland. Zijn moeder woonde aan de Allee in Emmen, vlakbij het park. Hij trok een overall aan en ging als verzorger en schoonmaker aan het werk. ‘s Nachts sliep hij op de zolder van de zogeheten Wilde Dierengalerij, het onderkomen voor de olifanten en de leeuwen.’’ Al snel had de jongeman een methode ontdekt om elke dag aan zijn moeder te laten weten dat het goed met hem ging. ,,Elke avond om acht uur pakte hij een pluk hooi in de hand en opende hij het luik boven de stal van de olifanten Sheila en Katinka. Daarna wachtte hij net zo lang met het geven van hooi tot de olifanten ongeduldig werden en begonnen te trompetteren. Hoorde zijn moeder dat geluid, dan wist zij dat zij dat alles goed was en dat zij zich geen zorgen hoefde te maken.’’
De wilde dierengalerij, met daarin de olifanten en de leeuwen. Op de eerste etage zaten onderduikers. Foto: Collectie Jan Oosting
Ook andere onderduikers vonden een plek boven de Wilde Dierengalerij. Jan Oosting: ,,Boven de leeuwen maakten ze van strobalen een hol met daar omheen een doolhof. In dat hol stond een radio waarmee naar de uitzendingen van Radio Oranje kon worden geluisterd. Kwam mijn vader kijken, dan hoorde hij van de onderduikers het belangrijkste nieuws.’’ Het geluid van de radio werd door het labyrint van strobalen gedempt. Het doolhof had ook tot doel om de onderduikers extra te beschermen bij een eventuele inval. ,,Dat het goed functioneerde, bleek toen mijn vader op een avond met een pan soep er naar toe ging. Hij verdwaalde en een van de onderduikers moest naar mijn vader toe kruipen om hem met de soep naar het centrale hol te loodsen.’’
Een van de nieuwkomers, die dichtbij het luik boven de olifantenstal sliep, kreeg op een nacht de schrik van zijn leven. Hij merkte dat zijn beddengoed bewoog. ,,Hij tastte met zijn hand in het duister en opeens had hij iets in zijn handen. Hij begreep eerst niet wat het was. Niet zo vreemd, het was de slurf van een olifant! De toen nog jonge Sheila en Katinka wisten dat er hooi op zolder lag. In het wild zie je wel eens dat de ene olifant met zijn voorpoten op de rug van een andere olifant gaat leunen om zo bij een hoge tak te kunnen komen. Zoiets gebeurde hier ook. Met vereende krachten lukte het hen om het luik omhoog te drukken. Dat luik was overigens ook voor de onderduikers belangrijk. Vielen de Duitsers binnen, kan konden zij proberen om zich door het luik te laten zakken en via de stal van de jonge olifanten te ontkomen.’’
Jan Oosting, zoon van Willem Oosting (1906 - 1983), de oprichter van het Noorder Dierenpark. Foto: DvhN
In januari 1945 kwam de vijand wel heel dichtbij. De al eerder genoemde generaal Friedrich Christiansen vestigde zich in villa Lindenhof aan de voorkant van het park. De hoogste Duitse militair in Nederland had daarvoor zijn hoofdkwartier in Hilversum, maar vanwege de oprukkende geallieerden vanuit het zuiden nam hij de wijk naar het noorden van ons land. Christiansen is de man van de bekende razzia van Putten, die uiteindelijk meer dan 600 Puttense mannen het leven kostte. Behalve villa Lindenhof namen de Duitsers nabij het park ook onder meer de villa van Willem Oosting in bezit.
Op 9 maart 1945 vielen dertig Duitsers en Landwachters het Noorder Dierenpark binnen. Er was een jonge joodse vrouw aangehouden die in het park ondergedoken had gezeten en die bij zeer pijnlijke verhoren was doorgeslagen. Doordat de actie uitlekte, konden alle onderduikers tijdig het park verlaten. Directeur Willem Oosting was op dat moment in Assen, om na een scheiding voor de tweede keer in het huwelijk te treden met de moeder van zijn kinderen.
Een advertentie uit 1944 Foto: DvhN
Een dienstmeisje van de familie fietste naar Assen om het echtpaar te waarschuwen voorlopig niet naar Emmen te komen. Willem Oosting keerde na de bevrijding terug in Emmen. Op 10 mei 1945, op Hemelvaartsdag, ging het Noorder Dierenpark voor het eerst dat jaar open. Ruim 4500 bezoekers passeerden de kassa’s. De oorlog was voorbij. Alle mensen die in het park ondergedoken hadden gezeten, hadden het overleefd. Ook het joodse meisje dat was aanhouden en bij verhoren doorsloeg. Jan Oosting: ,,Gelukkig wel. De transporten vanuit Westerbork naar de vernietigingskampen waren al stopgezet.’’