Een regenboogzebrapad in Assen. Foto: Venema Media
Eerste Kamerlid Henk Marquart Scholtz (BBB) vindt het niet terecht dat DVHN-verslaggever Arend van Wijngaarden hem slechts een keer een opvallende rol toedicht in zijn column oh, oh, den Haag.
Arend van Wijngaarden schreef in de krant van zaterdag een artikel over mijn rol in de Eerste Kamer in het debat over de zgn anti-conversiewet, waar ik namens de BBB-fractie het woord voerde. Dat artikel geeft mij aanleiding tot de volgende schriftelijke reactie, waarin ik eerst inga op het wetsvoorstel en tot slot kort een opmerking maak over de kwalificatie van mijn persoon door de heer Van Wijngaarden.
De Eerste Kamer heeft op 2 juni gedebatteerd over de zogeheten anti-conversiewet, een initiatiefwetsvoorstel dat ‘conversiehandelingen’ verbiedt, en gaat daar a.s. dinsdag hoofdelijk over stemmen. ‘Conversiehandelingen’ zijn handelingen of gesprekken die erop gericht zijn iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken.
Homogenezing
Vroeger noemde men dit ‘homogenezing’. Die term veronderstelde dat homoseksualiteit een ziekte was, die met therapie te genezen zou zijn. In dat kader hadden er soms praktijken plaats (elektroshocktherapie, duivelsuitdrijvingen) die ieder weldenkend mens alleen maar met afschuw kunnen vervullen.
Het is dan ook begrijpelijk dat de indieners van de initiatiefwet het frame ‘homogenezing’ hebben gekozen. Maar er zit hier een addertje onder het gras. De betekenis van het begrip ‘conversiehandelingen’ is inmiddels danig opgerekt. Ook jongeren onder achttien jaar met genderdysforie (een sterk gevoel van onvrede met het geslacht waarmee iemand geboren en opgegroeid is) moeten kunnen zijn wat ze willen zijn en mogen niet tot de heteroseksuele norm worden ‘bekeerd’.
In het debat in de Eerste Kamer ging het onder meer om de cruciale vraag of dit wetsvoorstel nodig is. Er is een rapport uit 2020 waaruit zou blijken dat er in Nederland nog zo’n vijftien organisaties of personen actief zijn die conversiehandelingen aanbieden, met name in ‘orthodox-christelijke’ kring. De indieners van de wet erkennen zelf dat het hier om een zeldzame praktijk gaat die moeilijk te bewijzen zal zijn en die in slechts weinig gevallen tot vervolging zal leiden. Bovendien zijn handelingen waarbij sprake is van dwang, bedreiging, mishandeling, vrijheidsberoving en discriminatie al bij wet strafbaar gesteld en is het wetsvoorstel daarom overbodig, zoals ook de Raad van State in zijn advies stelde.
Strafbepaling
Het debat spitste zich verder toe op de vraag naar de precieze reikwijdte van het wetsvoorstel. Welke handelingen, c.q. gesprekken worden nu exact strafbaar, en vallen ook ouders, ambtsdragers en leraren onder de strafbepaling? Die vraag wordt namelijk niet voldoende duidelijk beantwoord.
BIG-geregistreerde zorg- en hulpverleners vallen niet onder de reikwijdte van de wet. Maar ouders, leraren en pastores kunnen er wel onder vallen. De initiatiefnemers (van VVD, D66, PvdA-GroenLinks, de Partij voor de Dieren en de SP) in de Tweede Kamer hebben in een laat stadium hun bedoelingen verduidelijkt door aan de handelingen de woorden ‘stelselmatig of anderszins indringend’ toe te voegen.
Af en toe een gesprekje met iemand die met zijn seksuele gevoelens worstelt, een ‘open verkenning’ van de mogelijkheden, wordt niet strafbaar, zo verzekerden de verdedigers van de initiatiefwet, Bente Becker (VVD) en Wieke Paulusma (D66). Christelijke scholen mogen ook blijven zeggen dat homoseksualiteit zondig is, en predikanten mogen zoiets ook in een preek zeggen.
Grens aan vrijheid van onderwijs
Maar er zijn wel grenzen aan de vrijheid van onderwijs, de persoonlijke levenssfeer en de rechten van ouders, zo betoogden zij. Als predikanten de zondigheid van homoseksualiteit herhaaldelijk aan de orde stellen (wat iets kan doen met homoseksuele jongeren onder hun gehoor), als pastores, mentoren of ouders “stelselmatig en indringend” op jongeren inpraten of druk uitoefenen, met het doel hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of hen van een leven volgens die seksuele voorkeur af te doen zien, dan dreigt wel degelijk een hoge boete of een gevangenisstraf. Er is volgens de indieners dan immers sprake van ‘onderdrukking’, van een vorm van geweld die strafbaar moet worden gesteld.
De vrijheid van godsdienst wordt met deze wet scherper begrensd: de wet stelt grenzen aan de manier waarop onder andere kerken en kerkelijke organisaties mogen omgaan met jongeren die twijfelen over hun seksuele gerichtheid of genderidentiteit.
Deze wet is dus een gevaarlijke wet, omdat de vrijheden van geloof en meningsuiting worden begrensd en een bepaalde moraal (die niet bedreigend is) verdacht wordt gemaakt en in bepaalde omstandigheden strafbaar gesteld.
Seksuele moraal
Maar het is ook van belang om vast te stellen dat deze wet één bepaalde opvatting over seksuele moraal voorschrijft, en dat andere opvattingen strafbaar worden gesteld. Dat komt neer op standpuntdiscriminatie door de overheid en betekent een riskante en ontoelaatbare inperking van de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid.
Een instrument voor de overheid om in het leven van andersdenkende gemeenschappen in te grijpen: dat is het betreurenswaardige resultaat van deze wet.
Tot slot met betrekking tot mijn persoon: ik zou voor het eerst in jaren politieke zichtbaarheid hebben gekregen en normaal gesproken geruisloos meelopen in de grote BBB-fractie in de senaat. Een korte blik op de website van de Eerste Kamer zou de heer Van Wijngaarden hebben geleerd dat ik sinds juni 2023 zeven maal heb deelgenomen aan een plenair debat, veertien maal schriftelijke inbreng over wetsvoorstellen heb geleverd (vragen aan de regering heb gesteld) en zes maal een motie heb (mede-)ingediend.