Advocaten Geert-Jan Knoops en Carry Knoops-Hamburger arriveren bij de rechtbank van Rotterdam voor de derde dag van de inhoudelijke behandeling van haar rechtszaak. Weski wordt verdacht van deelname aan de criminele organisatie van haar voormalige cient Ridouan Taghi. Foto: Robin Utrecht / ANP
De strafzaak tegen advocaat Inez Weski legt een fundamenteel spanningsveld bloot. Wie stelt onder zware druk te hebben gehandeld, zal daar context bij moeten geven. Maar juist het geven van die context kan letterlijk levensbedreigend zijn.
De strafzaak tegen advocaat Inez Weski legt een fundamenteel spanningsveld bloot. Wie stelt onder zware druk te hebben gehandeld, zal daar context bij moeten geven. Maar juist het geven van die context kan letterlijk levensbedreigend zijn.
In het strafproces kan een alternatief scenario naar voren worden gebracht. Een alternatief scenario maakt het mogelijk om het beschikbare bewijs systematisch te vergelijken en kan voorkomen dat een mogelijk waar scenario over het hoofd wordt gezien.
Voor een inhoudelijke beoordeling moet zo’n scenario wel enige aansluiting vinden bij het dossier en voldoende concreet worden gemaakt. Gebeurt dat niet, dan kan de rechter oordelen dat de gestelde gang van zaken niet aannemelijk is en deze terzijde schuiven. In dat geval is er ook geen plicht voor de rechter om het alternatieve scenario gemotiveerd te weerleggen.
Psychische overmacht
Weski wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie. De verdediging brengt – naast allerlei andere verweren – naar voren dat sprake is geweest van een zodanige druk vanuit een criminele omgeving dat Weski daaraan redelijkerwijs geen weerstand kon bieden. Daarmee wordt een richting ingeslagen die raakt aan een beroep op psychische overmacht, een verweer dat – indien aannemelijk – tot niet-strafbaarheid kan leiden.
Opvallend is dat het verweer uiterst terughoudend wordt gepresenteerd. Zo merkt Knoops namens de verdediging op dat de media nu niet moet gaan schrijven dát Weski onder druk heeft gestaan.
1. Bovendien wordt het verweer niet expliciet door de verdachte zelf uitgedragen. Integendeel, ter terechtzitting heeft Weski uitdrukkelijk ontkend dat zij - zoals het Openbaar Ministerie stelt - zou hebben verklaard dat zij niet anders kon handelen omdat het anders haar dood zou betekenen.
2. Van een uitgewerkt scenario is geen sprake. Het verweer wordt in de vorm van een hypothese gepresenteerd.
Hoe concreet was de dreiging?
Maar om zo’n verweer te kunnen wegen, is context nodig. Wat was die druk? Hoe concreet was de dreiging? Waarom kon daaraan geen weerstand worden geboden? Tegelijkertijd laten de liquidaties rondom het Marengo-proces zien hoe ver de dreiging kan gaan. Indien daadwerkelijk sprake is van zware druk, is dat risico moeilijk als louter hypothetisch te zien.
Hier wordt een paradox zichtbaar: in gevallen waarin iemand een beroep doet op het bestaan van druk, is het tegelijkertijd mogelijk dat diegene niet kán verklaren vanwege die druk. Voor iemand die daadwerkelijk onder zware druk staat, ontstaat daarmee een onmenselijk dilemma: zwijgen en het risico lopen te worden veroordeeld, of spreken en daarmee de eigen veiligheid en die van anderen in gevaar brengen.
Zonder nadere concretisering kan zo’n verweer als niet aannemelijk worden aangemerkt en terzijde worden geschoven. In beginsel mag van een verdachte immers worden verwacht dat er tekst en uitleg gegeven wordt op het moment dat er een stevig onderbouwde verdenking ligt. Blijft dit uit, dan ligt het risico daarvan bij de verdachte. Bij een beroep op psychische overmacht is de vraag niet zozeer óf de verdachte het heeft gedaan, maar of het de verdachte kan worden verweten. Dat aan een dergelijk verweer hoge eisen worden gesteld is in dat licht voorstelbaar.
Spanning
Maar in zaken waarin een beroep op psychische overmacht wordt gedaan vanwege zeer ernstige en reële dreiging, kan het geven van die concretisering levensbedreigend zijn. Daar ontstaat een spanning tussen de eisen die het strafproces stelt aan de onderbouwing van het verweer en de feitelijke onmogelijkheid van de verdachte om daaraan te voldoen. Dit roept de vraag op of het gerechtvaardigd is om dit risico volledig bij de verdachte neer te leggen. In de zaak Weski wordt dit spanningsveld nog versterkt door de geheimhoudingsplicht.
Dit betekent niet dat een beroep op psychische overmacht in dergelijke gevallen per definitie moet slagen. Aan een dergelijk verweer worden terecht hoge eisen gesteld. Het betoog strekt ertoe dat zo’n verweer niet zonder meer terzijde kan worden geschoven wanneer het gebrek aan concretisering voortvloeit uit de gestelde druk.
Dat veronderstelt dat in het dossier op zijn minst aanknopingspunten aanwezig zijn voor de gestelde druk en dat de dreiging voldoende zwaar moet zijn om het zwijgen te kunnen rechtvaardigen. Maar op het moment dat daarvan sprake is, moet worden onderkend dat een nadere concretisering in zulke gevallen moeilijk te geven kan zijn.
Omdat het niet verteld kan worden
Daaruit volgt dat van de rechter mag worden verwacht dat hij ambtshalve onderzoekt of het dossier aanknopingspunten biedt voor die druk, juist bij een zwijgende verdachte. Ook wanneer geen uitdrukkelijke motiveringsplicht bestaat, ligt het in zulke gevallen toch voor de hand dat het verweer – indien verworpen – inhoudelijk en gemotiveerd wordt weerlegd, zodat inzichtelijk is waarom het verweer wordt verworpen.
Blijft dat achterwege, dan bestaat het risico dat een reëel alternatief buiten beeld blijft. Niet omdat het niet bestaat, maar omdat het niet verteld kan worden.