Op weg naar de uitvaart van mijn moeder zien we een ree. Zegt niks meent zoon: ‘We zagen laatst vijf reeën en toen gingen we naar de tandarts | column Herman Sandman
Een ree stak de weg over. We reden net buiten het dorp, voorbij het grote bos. Mooi gezicht. Ik ging een beetje langzamer, want waar één was konden meer zijn.
Met vrouw en jongste zoon, de oudste ging op eigen gelegenheid, was ik onderweg naar het land van mijn jeugd, voor de uitvaart van mijn moeder. Ze was vier dagen eerder heengegaan, net toen mijn vader, zus en ik broodjes knakworst zaten te eten.
„Nou”, zei mijn vrouw, wijzend op de ree, „als dat geen toeval is.”
We mogen graag geloven dat we af en toe een seintje van gene zijde krijgen. Niet zelden in de verschijning van een dier. Mijn vrouw ziet in elk roodborstje haar moeder, mijn moeder haar moeder in elke duif en als mijn zus vorige week, misschien zelfs op haar sterfdag of op het sterfmoment, op het balkon bij mijn ouders een sigaretje rookt, gaat er een duif op de rand zitten.
Zeg maar dat het niet zo is. Een vogel of dier zien op het moment dat we aan een overledene denken, gebeurt net even te vaak om het af te doen als kierewiet. Jongste zoon is minder onder de indruk: „Wij zagen laatst vijf reeën en dat was onderweg naar de tandarts.”
Ik was met mijn gedachten vooral bij het In Memoriam dat ik zou voorlezen, bang dat het niet lukte omdat ik moest huilen.
Terwijl dat natuurlijk niet raar zou zijn. De diaken die twee dagen eerder met ons de dienst van woord en gebed voorbereidde bekende dat-ie ook gek werd van al die Oost-Groningers die huilden en meteen ‘sorry’ zeiden.
Terwijl ik bleef opletten op meer reeën, gooide jongste er nog een schepje bovenop.
„Als we nu ook een roodborstje zien bekeer ik me vandaag nog tot het Jaïnisme.”