Het was laat vannacht. Had al een poosje in de stilte voor me uit gekeken. Ik ging in de benen en blies de kaars op de tafel uit.
Ik liep nog even naar buiten. Het was niet koud. Er waren geen sterren te zien. Het rook naar lente. Lente in de nacht. In de verte hoorde ik een auto optrekken. Die was er vroeg bij. Of misschien ook wel laat, zoals ik. Toen de auto niet meer te horen was, leek de hele wereld weer te slapen.
Toen ik de trap opliep, dacht ik terug aan de tijd dat ik in de Randstad woonde. Altijd geluid. Buren. Auto’s. Vliegtuigen. Treinen. Sommige mensen kunnen daar goed tegen. Sterker nog: er zijn mensen die niet zonder kunnen. Ik had, toen ik inmiddels weer op Erica woonde, een keer vrienden te logeren die dichtbij Schiphol woonden. Tijdens het ontbijt vroeg ik hoe ze geslapen hadden. „Geen oog dichtgedaan.” Te stil.
Terwijl ik de dekens over me heen trok, moest ik eraan denken. Dat was een mooie tijd. Is het nu dan geen mooie tijd? Zeker wel. En destijds was er heus ook wel van alles aan de hand in de wereld. Misschien volgde ik het nieuws toen nog niet zoals ik dat nu doe. Ik lag wat te draaien en dacht aan de Paus. Hoe hij zich uitgesproken heeft. En hoe daar dan weer op gereageerd wordt. Voor ik het wist, had ik de telefoon gepakt en keek ik op X of er nog ontwikkelingen waren in de verschillende oorlogen. Wat een onrust in de wereld. Tien minuten daarvoor stond ik nog buiten in de stilte te denken dat de hele wereld sliep.
Ik lag te woelen en te prakkiseren. Hoe moet dat allemaal goedkomen? Ik zette een bepaald muziekje op. Dat wil nog weleens helpen. Maar deze keer werd ik er juist wakkerder van. Buiten begon het al te schemeren. Ben er maar weer even uitgegaan. Ik maakte een kopje thee en stond daarmee in de kamer uit het raam te kijken. Voor het huis, in het schemerlicht, zag ik onder de appelbomen wat bewegen. Het waren twee reeën. Mannetje en vrouwtje. Hun schutkleuren werkten heel goed. Ze gingen bijna helemaal op in het plaatje. Poosje naar gekeken. Toen ze me zagen, liepen ze rustig weg.
De volgende morgen werd ik wakker gebeld. Ik nam op en zei dat ik later terug zou bellen. Het was laat vannacht.