De wind waait door de korenvelden. De zon brandt op het jonge suikerbietenblad. Een aardappelveld in bloei. Hoor zelfs al een leeuwerik. De sloot ligt vol met eendenkroos. Zitten daar de kikkers onder die ‘s avonds met zijn allen brullen alsof ze met 3-2 voor staan? Het wordt niet echt pikdonker aan de noordelijke hemel deze dagen. En het wordt alweer echt licht op een tijd die je ’s winters midden in de nacht noemt. De winter is ver weg. Nauwelijks kun je je nog voorstellen hoe koud je de handen had toen je de ruiten van de auto aan het krabben was. Toen kon je alleen maar verlangen naar hoe warm het nu is.
Ik zie mezelf weer zitten in de zesde klas. Dat was toen nog niet groep acht. Dat kwam later pas. Het was heel warm in het lokaal. Een rare muffe geur. Het aquarium achter in de klas, waar kleine schildpadjes in leefden, droeg bij aan die vreemde lucht. Buiten zag ik vogels vliegen. Van boom naar boom, van tak naar tak. Nog even volhouden, had moeder gezegd, dan is het straks grote vakantie. En daarna naar de middelbare school. Ik kon alleen maar denken aan hoe ik straks in mijn eentje in de wiekswal zou gaan zitten. Hoe ik onder de grote eikenbomen van de Kerkweg naar opa zou fietsen. Die zat bij warm weer in de schaduw, half in zijn schuurtje maar toch op de wind. Dan mocht ik bij hem zitten. We zeiden dan niet veel. Hij dommelde soms even weg. Dan liep ik zachtjes naar de bijenkorven.
Ik zit nu mooi in de schaduw. Een beetje op de wind. Een groot glas koude karnemelk. Jammer dat ik geen Roosvicee in huis heb. Weer denk ik aan de kindertijd. Hoe onze kerk rook als het een poos heel warm weer was. Hoe het orgel dan klonk. Ik hoor een kerklied van vroeger galmen vanuit een hoek van mijn geheugen. ‘Zolang er mensen zijn op aarde, zolang de aarde vruchten geeft, zolang zijt Gij ons aller Vader, wij danken U voor al wat leeft.’
De lucht aan de horizon trilt van de hitte. De onrust ebt weg. Dankbaarheid. Ja, dat is het. Dankbaar voor het leven. De wind zien waaien door het koren. De zon en de maan. De mensen om je heen. De muziek. Misschien was dat wel het mooiste van geloven: dat je wist wie je daarvoor kon bedanken.