De hoofdredacteur kijkt me aan als hij het trapje op komt, waarover ik wil afdalen naar onze plek, een leefkuil die een meter lager ligt dan de rest van de redactie: „Hé, T-shirt?”
Kou is al maanden een item op onze deelredactie. Sommigen zaten met jassen aan, anderen kregen hoofdpijn en ik merkte dat de kilte op mijn 60-jarige botten begon te slaan.
Een oplossing kwam er niet, ondanks veelvuldig contact met de eigenaar van het gebouw. Hoe die gesprekken verliepen weet ik natuurlijk niet, wel dat de kou bleef.
We zitten waar de drukpers stond en bijna de hele oostwand bestaat uit grote ramen en ik vermoed dat daar het probleem zit.
Een aantal was er wel klaar mee, werkte huis, of zocht het heil elders op de redactie, waar het inderdaad ietsjes warmer was. Zelfs ik ben daar een middag gaan zitten.
Maar de afgelopen week merkte ik niks van de kou. Kon zijn omdat het buiten iets warmer was, in ieder geval boven nul. De dikke trui kon weer uit en donderdag liep ik zelfs tot mijn eigen verbazing in T-shirt, zonder kippenvel op de armen.
We hadden het er uiteraard nog wel over en een collega beweerde: „De kou kwam zelfs door de stopcontacten naar binnen.”
Ik moest lachen en zei haar dat zoiets niet kon. Ze bleef erbij en wees op een stopcontact boven het aanrechtblad: „Kijk, voel maar.”
Nee, benadrukte ik. Er kon veel, dat niet. Tot ik een dag later een krantenbericht las over hevige regenval in de Zuid-Spaanse plaats Grazalema. De smalle straatjes veranderden in kolkende riviertjes en, schreef de Spaanse krant El Paìs: ‘Water steeg onstuimig op uit kelders, spoot uit stopcontacten en…’