Ingrid Woudwijk, onze vrouw in Istanbul Foto: Sebahat Çiçekli
Ik verruilde 6 jaar geleden verruilde mijn studentenkamer in Groningen voor een nog kleiner optrekje in Istanboel. Het plan was om 6 maanden te blijven, voor een stage op het consulaat. Inmiddels zijn we 6 jaar verder en woon ik nog steeds met veel plezier in Istanboel. De diplomatieke wereld was niets voor mij; als journalist voel ik me hier beter op mijn plek.
De laatste maanden gaan mijn verhalen vaak over de arrestaties van oppositieburgemeesters, rechtszaken tegen advocaten en andere acties die de overblijfselen van de Turkse democratie verder aantasten. Ik merk dat het veel mensen moedeloos maakt. De oppositie organiseert wekelijkse demonstraties, maar er gaat ook geen week voorbij zonder dat ik wakker word met pushberichten die vertellen dat er weer journalisten, artiesten of andere critici ’s ochtends vroeg van hun bed zijn gelicht. Daarnaast zijn de economische crisis en de bijbehorende inflatie ook niet te negeren.
Onze V/M
Ingrid Woudwijk (Dokkum, 1995) is onze nieuwe Vrouw in Istanboel, als vervanger van Mitra Nazar, die na vijf jaar correspondentschap terug is in Nederland om aan de slag te gaan als verslaggever bij tv-programma Nieuwsuur. Woudwijk is freelance correspondent in Turkije en werkt onder andere voor Trouw en BNR Nieuwsradio. Ze groeide op in Friesland, maar vertrok voor de opleiding Mediastudies naar Amsterdam. Daarna studeerde ze Journalistiek en Midden-Oostenstudies aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze woont sinds 2019 in Istanboel.
We publiceren iedere week een column van Onze Vrouw/Man, een mediacorrespondent uit een ander continent.
Er valt dus genoeg te klagen in Istanboel, maar de stad en haar inwoners blijven mij nog altijd verrassen. Als journalist is het een voorrecht om te wonen in de mooiste stad ter wereld, allerlei interessante mensen te ontmoeten en ook nog eens achter deuren te mogen kijken die meestal gesloten blijven. Als de nieuwe vrouw in Istanboel wil ik in deze columns de mensen en plekken uitlichten die meestal het nieuws niet halen.
Rijke, kosmopolitische kant
Vorige week was ik weer op een plek die normaal gesloten blijft: de Latijns-Katholieke begraafplaats in de wijk Feriköy. Dit was ooit een multiculturele buurt in het Europese deel van de stad, waar de voertaal op straat Grieks of Armeens was. Het paasbrood bij de bakker, de kerkklokken op zondag of de kinderkleertjes met Armeense teksten in de vitrine zijn hedendaagse herinneringen aan de diversiteit van Istanboel, ook al zijn deze gemeenschappen inmiddels nog maar piepklein.
Verstopt achter een hoge muur is deze christelijke begraafplaats een vredige, groene oase. Normaliter is deze plek alleen toegankelijk voor de nabestaanden van de overledenen, maar ik had het geluk een ticket te kunnen kopen voor een rondleiding van een historicus. Eenmaal door de poort lijken de toeterende auto’s en het luidruchtige verkeer van de stad opeens een stuk verder weg. Door de klassieke architectuur van het kleine kerkje, maar ook van de graven, waan je je even in Italië.
Deze plek is ook een testament van de diversiteit van het Ottomaanse Rijk. Tijdens de geschiedenislessen leerde ik dit imperium kennen als ‘de zieke man van Europa’ en de sultans als streng-islamitische machthebbers. Deze begraafplaats laat zien dat Constantinopel ook een rijke, kosmopolitische kant had.
Twee graven met Nederlandse namen
De meeste doden hier behoren tot de Levantijnse gemeenschap: diplomaten uit Frankrijk, scheepsbouwers uit Italië, handelaren uit Griekenland en Duitse medewerkers van de Ottomaanse Spoorwegen. Het is ook de laatste rustplaats van een van de eerste Armeense feministen en van Aramese families uit Mesopotamië. Daarnaast liggen er tientallen Franse en Italiaanse soldaten begraven die meevochten in de Krimoorlog van 1853 tot 1856.
Ik kwam ook twee graven tegen met Nederlandse namen, Paul Westerling bijvoorbeeld. Blijkbaar was hij een Nederlandse handelaar in antiek, van wie de familie al generaties in Istanboel woonde. Het graf van de familie Westerling is sober vergeleken met de vele marmeren grafzuilen die een kunstwerk op zich zijn.
Voor sommigen was één beeld niet genoeg: zij lieten een kleine kapel voor hun familie bouwen. De familie van Ignazio Corpi bijvoorbeeld. Deze Genuaanse handelaar liet in 1873 een van de mooiste gebouwen van Istanboel bouwen: het Palazzo Corpi. Het huisde ooit de Amerikaanse ambassade, later het consulaat van de VS, en nu het Soho House. Het graf van de familie Corpi is in dezelfde neoklassieke stijl gebouwd. Door de drie pilaren en de hoogte – ik schat zo’n 10 meter – lijkt het net een poort naar het hiernamaals, versierd met marmeren beeldhouwwerken. Boven de houten kapeldeur prijkt een beeldje van een engel.
Het voelt wat luguber
Er is ook één Nederlandse familie met zo’n groot graf: de familie van Jean Botter, de persoonlijke kleermaker van de Ottomaanse sultan. Voor hen is een lichtblauwe kapel gebouwd, maar de façade is inmiddels verwaarloosd. Ik kende het verhaal van de familie Botter, maar had geen idee dat zij hier in Istanboel begraven waren.
Het voelt wat luguber om enthousiast te worden van een plek voor de doden, maar het was fascinerend om op deze begraafplaats rond te dwalen. De kennis van de historicus bracht de geschiedenis tot leven. Elk graf vertelt een verhaal, zei hij; we kennen ze alleen nog niet allemaal. Als journalist is dat precies de reden dat Istanboel mij nooit verveelt: de stad is een onuitputtelijke bron van verhalen die wachten om verteld te worden.