Martijn als vrijwilliger aan het werk in de dagopvang voor daklozen aan de Spilsluizen. Foto: Corné Sparidaens
Het verzet tegen de verhuizing van de daklozenopvang in Groningen is groot. Omwonenden vrezen voor de veiligheid in de buurt als verslaafden en dealers er massaal op afkomen. De gemeenteraad stemt woensdag over de verhuisplannen. Voormalig dakloze Martijn snapt de weerstand, maar had niet zonder de dagopvang gekund.
Hij had een agressieve uitstraling, hij had steevast een mes op zak, hij was mager en altijd alleen. Martijn (55) vertelt over zijn leven als dakloze dat begon toen hij 12 jaar was en dat met tussenpozen van kindertehuizen en tijdelijk onderdak meer dan 20 jaar duurde.
„Op straat leven maakt je wanhopig, zeker in het begin omdat je totaal niet weet hoe je moet overleven’’, zegt hij. „Op mijn twaalfde ging ik stelen om te overleven. Toen ik ouder was, ging het beter: ik vond groentes op de markt en ik wist hoe ik een vuurtje moest maken en de groentes kon grillen.’’
‘Mijn leven was verrot’
Martijn groeide op in Groningen en verliet het huis van z’n moeder toen hij 12 was omdat hij niet met haar partner overweg kon. Zijn vader pleegde suïcide. Een week achtereen leefde hij met enkele andere kinderen op straat, tussen de hoeren, pooiers en dealers. Daarna belandde hij in een kindertehuis in Veendam.
„Op mijn twaalfde dronk ik mijn eerste biertje, op mijn veertiende kwam er cocaïne bij. Mijn leven was verrot, mensen lopen je voorbij’’, vat hij zijn dakloze en verslaafde periodes samen.
‘Het daklozenprobleem groeit’
Sinds elf jaar heeft hij een huis in de binnenstad van Groningen en raakte hij van zijn verslavingen af. De eerste stap in die richting zette hij vanuit de dagopvang. „Via een van de vrijwilligers binnen de dagopvang kwam ik op de Hanzehogeschool waar ik mijn verhaal vertelde aan studenten. Dat was het begin van mijn herstel, het begin van dat ik me openstelde naar anderen.’’
Het is precies waarom hij voorstander is van de dagopvang van het Leger des Heils. „Het is géén hulpverlening, maar wel een laagdrempelige plek om in contact te komen met de hulpverlening. Ik vind de dagopvang belangrijk omdat dakloze mensen dan in elk geval een plek hebben waar ze koffie en een broodje kunnen krijgen, kunnen opwarmen, informatie krijgen, een slaapplek regelen, douchen en waar ze tot rust kunnen komen. Als de dagopvang er niet is, zijn mensen de hele dag buiten op straat en wordt het daklozenprobleem veel zichtbaarder.’’
Ja, Martijn spreekt van een daklozenprobleem en dat is groeiend volgens hem. Hij erkent dat de dagopvang aan de Spilsluizen een trekpleister is voor dealers en gebruikers. „Waar moeten ze anders dan buiten gebruiken?’’ Hij begrijpt dat geen mens staat te springen om een daklozenopvang in z’n buurt, maar hij verwacht dat de verhuizing van de opvang naar de Nieuwe Boteringestraat goed uitpakt. „Het gebouw is groter en de straat is rustiger dan de huidige plek.’’
Uitzichtloos
Volgens hem is het van belang dat stewards erop toezien dat de dealers en gebruikers er weg blijven. Hij oppert er een politiepost te plaatsen waardoor handhaving op drugshandel en -gebruik strenger wordt en hij wijst op de rechtbank die vol camera’s hangt.
Een dergelijke opvang hoort volgens hem in of vlakbij de binnenstad. „Daklozen verdienen het meest in de binnenstad, door te bedelen, de Riepe te verkopen of statiegeld te verzamelen. Realiseer je de dagopvang ver van de binnenstad, dan verwacht ik dat de problemen toenemen omdat de daklozen dan nergens een plek hebben. Dan is de situatie helemaal uitzichtloos.’’