Bindert Helder blijft de klassieke pot trouw'aardappels, sperzieboontjes, gehaktballen Foto: Geert Job Sevink
Waar nu gerechten uit de hele wereld op het menu van veel Groningers staan, was dat honderd jaar geleden anders. Aardappels en bonen waren toen nog échte hoofdrolspelers.
De provincie Groningen in de jaren 20 en 30 van de vorige eeuw. De Stad was reeds de hoofdstad van het Noorden, de dorpen hadden veel winkels maar niet zoveel auto’s, het Joodse leven bloeide nog al doemden de eerste schaduwen op. En de pot schafte kost die meestal o zo voedzaam was maar lang niet altijd gevarieerd.
De goede, oude dis
Vraag dat maar aan Bindert Helder. Hij is een inwoner van Grijpskerk die negentig jaar geleden werd geboren in het gehucht Peebos en dus nog proefde van die ‘goede, oude dis’. Want hij denkt met plezier terug aan de maaltijden van toen.
Zijn vader werkte op het land, op een dorsmachine, en voor een waterschap. ,,Breed hadden we het niet altijd, mijn vader en moeder en broer en ik’’, vertelt zoon Bindert. ,,Maar honger hadden we nooit, we hadden altijd te eten. Zo nam mijn vader tarwe mee van de boer voor wie hij werkte. Daar maakte mijn moeder bijvoorbeeld pannenkoeken van die we ‘s ochtends aten.’’
Het melk kwam van de geiten
Bindert bleef tussen de middag over op school en at dan boterhammen, met geregeld stukjes worst als beleg. ,,Dat brood bakte mijn moeder ook vaak. ‘s Avonds aten we warm. Aardappels met groente, vaak bonen, en een stukje vlees. De aardappelen en groenten verbouwden we zelf, we hadden een grote moestuin. We hadden ook een varken dat we vetmestten en in de herfst slachtten. Het vlees aten we in de winter, de worst op het brood kwam daar ook van. Elke dag vlees, nee, dat kregen we niet. In de zomer slachtten we soms kippen die we dan aten. De melk kwam van onze geiten, het fruit van onze appel- en perenbomen.’’
In de buurt van huize Helder stond een winkeltje waar zijn moeder boodschappen deed. ,,Maar we redden ons vooral zelf. Rijst, spaghetti? Nee, dat aten we niet, dat schafte de pot toen niet.’’
Landarbeiders in Ter Apel bij het aardappels rooien, ruim 100 jaar geleden. Foto: Collectie Groninger Archieven
Vlees of vis niet altijd dagelijkse kost
Het dagelijks voedingsritme van het gezin Helder hanteerden volgens Merit Hondelink veel gezinnen in Groningen en daarbuiten zo’n eeuw geleden. ,,Pannenkoeken, brood of pap voor het ontbijt, boterhammen tussen de middag, aardappelen met groente en een stukje vlees of vis, geregeld peulvruchten, zo zag het menu er heel vaak uit in die tijd’’, zo weet ze. Vlees en vis waren vaak geen dagelijkse kost. Niet iedereen kon ze betalen, niet iedereen had een dier om te slachten.
Hondelink bestudeert op de Rijksuniversiteit Groningen onder meer de culinaire geschiedenis van Nederland waarbij zij zich vooral richt op nog vroegere eeuwen. De industriële revolutie in de negentiende eeuw beschouwt zij als een cruciale gebeurtenis, ook voor het eten. ,,Door die revolutie werd de productie en distributie van voedsel gemakkelijker, levensmiddelen werden daardoor goedkoper. Daar hadden de Groningers en anderen honderd jaar geleden voordeel van.’’
Exotische producten stonden ook op tafel
Volgens Hondelink was het overigens niet zo dat een eeuw geleden nog geen ‘exotische’ producten op tafel stonden. Rijst, macaroni, ze werden wel degelijk gegeten. Dat zegt ook Charlotte Kleyn, culinair historica, columniste en schrijver van boeken over de geschiedenis van eten en koken. ,,Macaroni is zo’n gerecht dat een eeuw geleden geregeld werd bereid en gegeten.’’ Oude kookboeken wijzen volgens haar ook op de intrede van gerechten uit buitenlandse keukens.
Maar die ‘exoten’ konden indertijd nog niet op tegen de aardappel en de peulvruchten, weet Pascal Gelling. Hij beheert het Culinair Museum in Zevenhuizen, het geesteskind van de dit jaar overleden Carolina Verhoeven. Het herbergt een grote collectie voorwerpen die iets vertellen over onze oude eet- en kookgewoonten. Wekflessen, oude boterkarnmachines, koffiemolens. Een onderkomen heeft het museum momenteel niet, wel worden voorwerpen uitgeleend.
‘Er werd sowieso vetter gegeten’
,,Ja, de aardappel en bonen waren belangrijke en calorierijke voedingsmiddelen’’, zegt Gelling. ,,Er werd sowieso vetter gegeten toen, de mensen konden het hebben, ze verbrandden ook meer, waren meer in beweging. Die klassieke producten werden zowel in Stad als in Ommelanden gegeten. In Stad werden ook nog lang door mensen dieren gehouden, net als op het platteland. Koeien bijvoorbeeld die werden gemolken. Al was de noodzaak daartoe een eeuw geleden al minder groot omdat er toen al zuivelfabrieken waren en mensen melk in winkels konden kopen. Suiker werd natuurlijk ook gebruikt maar minder dan nu, dat product was toen duurder.’’
Gelling kan honderduit vertellen over producten die menig Groninger toen geregeld at en die nu deels of geheel uit beeld zijn verdwenen. Molsla bijvoorbeeld, de plant van de paardenbloem. ,,Die was aan het begin van de vorige eeuw nog wel in zwang, nu niet of nauwelijks meer. De molleboon had je toen ook, die heeft wel overleefd, heeft nu, in onze drukkere tijd een cultstatus. In die tijd lag het tempo lager, had je minder tweeverdieners. Dat maakte ook dat vaker tussen de middag warm werd gegeten. Dan begon ‘s ochtends vroeg al het bereiden van het warme middagmaal.’’
Pascal Geerling beheert het culinair museum. Foto: Geert Job Sevink
Tussen de middag warm eter
Tjark Tijdens was zo’n ‘tussen de middag warm eter’. Hij is de achterkleinzoon van de beroemde boer en politicus Boelo Tijdens en groeide op op de familieboerderij in Nieuw Beerta. Hij is 82 jaar maar leefde in zijn jeugd nog op het voedingsritme dat generaties voor hem ook hadden.
,,’s Ochtends at ik pannenkoeken of pap, tussen de middag kwam ik thuis van school en dan aten we warm’’, blikt Tijdens met genoegen terug. ,,Aardappels, groenten, altijd een stukje vlees, een toetje van zuivel, yoghurt. ‘s Avonds aten we brood met vlees of ander beleg.’’ Dat ‘s avonds brood werd gegeten, had ook veel te maken met de eisen van het land. In de oogsttijd werd ‘s avonds lang doorgewerkt. ,,Dan was het gemakkelijker om brood te eten, dat kon je ook op het land doen.’’
Armoede was er toen ook
Net als Bindert Helder had dus ook Tjark Tijdens altijd te eten. Maar net als nu waren er toen ook Groningers die dat niet hadden. Armoede was er toen, en het sociale vangnet was niet zo groot. De Noaberhulp was er wel maar niet altijd voldoende. ,,In dat opzicht was de aardappel ook belangrijk’’, zegt Pascal Gelling. ,,Die was gemakkelijk te verbouwen, of, als ze gekocht moesten worden, niet zo duur. En dus heel voedingsrijk. Maar inderdaad, het kwam ook voor dat zelfs de aanschaf van aardappelen niet lukte.’’
In dat geval was wellicht het Armenhuis of Werkhuis een reddingsboei. ,,In Winschoten had je zo’n Werkhuis, Huize Avondlicht, dat een eeuw geleden nog bestond en waarin arme inwoners verbleven’’, zegt Robert Jalink, kenner van de Winschoter geschiedenis. ,,De gemeente was de eigenaar van die voorziening en regelde dat de bewoners te eten kregen. De gebruikelijke kost van die tijd. Een Joods werkhuis had Winschoten ook. Daar werd koosjer voedsel geserveerd. En stond natuurlijk ook de aardappel op het menu.’’
De aardappel, altijd maar de aardappel, vaak elke dag weer. Bindert Helder, die man op leeftijd in Grijpskerk, verorberde er ontelbaar vele. Maar nooit hingen ze hem de keel uit. ,,En ik eet nog altijd heel geregeld aardappelen met groente en een stukje vlees en ik geniet er nog altijd van. Ik vind ze nog net zo lekker als toen.’’
Voedselserie
Verslaggevers van Dagblad van het Noorden maken in de maanden juli en augustus over gezonde voeding en locale producten uit Groningen. Wat is gezond voedsel en waar kun je daarvoor in Groningen terecht? Wat zijn de fabels? Hoe verandert onze manier van eten? Je leest het deze zomer in de DvhN voedselserie.