Hennie van der Most, ras-ondernemer uit Schuinesloot. Foto: Gerrit Boer
Hennie van der Most is de man die oude bedrijfspanden transformeert tot succesvolle horeca- en amusementsparken. De Bonte Wever, Kalkar, Oranje, DeSmelt. Alles wat hij aanraakt, verandert in goud. Maar tijden veranderen.
Hennie van der Most is niet meer de jongste. 75 wordt hij op 23 maart. „En altiet wat te regel’n”, zegt hij in plat Sallands, terwijl hij wat briefjes van 50 euro in de zak van zijn overhemd stopt. „Ondernem’n giet altiet deur.”
Want ondernemer is geen beroep. Daar kun je niet voor leren. Dat ben je wel of dat ben je niet. En Van der Most is het wel. Geen overname-ondernemer, oppas-ondernemer of monopoly-ondernemer, maar een échte. „Ik heb 2500 mensen werk verschaft en daar ben ik trots op.”
Van der Most zit aan een tafel op een stoel in een ruimte bij Most Special Products, een van de bedrijven die hij nog heeft op het bescheiden bedrijventerrein van Schuinesloot, op de grens van Drenthe en Overijssel, op steenworp afstand van Slagharen, zijn geboorteplaats.
Leg dat de mensen maar eens uit, want sommige mensen denken nog steeds dat het geld aan de boom groeit
De ruimte heeft een open verbinding naar de boekhouder; de arbeiders uit de fabriekshal lopen in en uit. Hij drinkt zijn koffie uit een plastic bekertje. Geen poespas.
Doe maar gewoon
Van der Most is wars van dikdoenerij. Dus een eigen kantoor voor de CEO? Een naamplaatje op de deur? Een eigen parkeerplaats voor zijn Mercedes? Een chauffeur? Hij maakt een wegwerpgebaar. Doe maar gewoon. Dan doe je gek genoeg.
En dat valt lang niet mee in een wereld die lijkt dichtgetimmerd met regeltjes, waar bureaucratie de boventoon voert, waar ‘praters’ zó veel meer geld opstrijken dan ‘doeners’, waar rapporten en onderzoeken het leven van een ras-ondernemer zoals hij bijna onmogelijk maken.
Hennie van der Most geeft de 'handjes' in de fabriekshal tips over de constructie van zijn mobiele parkeergarage. Foto: Gerrit Boer
„Het ís niet moeilijk. Het wordt moeilijk gemáákt. Dat is de maatschappij: moeilijk maken, bureaus, bureaucratie, rapport op rapport”, zegt Van der Most. „Vroeger was het gemoedelijker. Als de vrachtwagen met oud ijzer het erf niet op kon, dan zei je: ‘Jongens, gooi de boel maar bij de weg. We ruimen het straks wel op’. Nou, dat moet je nu eens doen: er moet politie bij, er komt een afzetting, je krijgt forse boetes en een hoop trammelant. Het is één groot circus geworden.”
En in dat circus is de ondernemer de pineut en zijn de ambtenaren, de ‘praters’, vooral geldverslinders. Hij rekende ooit uit dat de gemeente Lochem (inclusief adviesbureaus) viermaal zoveel kwijt was aan loonkosten als hij, terwijl hij net zoveel personeel op papier had. „Wie moeten al dat geld, al die salarissen, opbrengen? Juist, de ondernemers. Leg dat de mensen maar eens uit, want sommige mensen denken nog steeds dat het geld aan de boom groeit.”
"Wie moet al dat geld, al die salarissen, opbrengen? Juist, de ondernemers. Leg dat de mensen maar eens uit, want sommige mensen denken nog steeds dat het geld aan de boom groeit." Foto: Gerrit Boer
Nee, mensen. Het geld dat de overheid gebruikt voor onderwijs, zorg, wegenbouw, voor uitkeringen en dus ook salarissen van ambtenaren, wordt grotendeels betaald door het belastinggeld van – jawel – ondernemers, betoogt Van der Most. „Ik heb geen miljoenen op de bank. Het zegt me helemaal niks. Voor mij is geld een middel. Ik ben het nodig om dingen te ontwikkelen.”
Het is een andere wereld. Neem nou laatst. „Ook zoiets. Mijn dochter komt thuis en zegt: papa, ik heb dyslexie en ik heb het van jou. Hoe kun je die kinderen zo veroordelen!? Je zadelt ze op met een minderwaardigheidscomplex. Heel veel kinderen denken: nou, ik heb weer wat. Waar zijn we dan mee bezig met elkaar? Dyslexie is toch geen straf?”
Van der Most komt er ver mee. In de gloriedagen heeft hij zelfs een eigen tv-programma en een helikopter die hem van de ene naar de andere plek vervoert. „Ook zowat. Ik kon landen bij huis. ‘Maar’, zeiden de ambtenaren, ‘dat is Natura 2000-gebied’. Landen mocht daar niet, maar 100 meter verderop wel. Maar maximaal tien keer. Wat een gedonder. En toen kwam er nog iemand uut het westen die in Oranje was komen wonen en die dacht: ‘God, er kan wat gebeuren’. Toen heb ik de helikopter verkocht. Op een gegeven moment was het niet meer te doen.”
Onderhoudsmonteur zonder papieren
Nadat hij twee keer is blijven zitten op de basisschool en zowel de ambachtsschool als de lts niet afmaakt, gaat Van der Most aan de slag als metaalarbeider en pompbediende. „Daarna was ik onderhoudsmonteur bij Kappa in Hoogeveen. Zonder papieren. Ik was gewoon handig. Toen ik met beunen meer verdiende dan bij de baas, ben ik voor mezelf begonnen.”
Hennie van der Most dacht in Wim Beelen zijn reddingsboei te hebben gevonden. "We gaven elkaar de hand. Ik was gered. De dag dat we alles zouden tekenen trok hij zich terug." Foto: Gerrit Boer
Van der Most wordt ondernemer. En wat voor een. Een overbodige watertoren bij Nieuwleusen tovert hij om in een draaiend restaurant, bij een kernreactor in Kalkar realiseert hij een attractiepark. Terugkijkend heeft hij nooit durven dromen dat zijn ondernemerschap zo groot zou worden.
„Hoe ik later herinnerd wil worden? Als een creatieve ondernemer. Meer niet”, zegt Van der Most. Bang voor de dood is ie niet. „Nee, as ut mut wezen, mut ut wezen. Als ik omval, dan is het gebeurd. En daarna? Tsja, dan lig ik in een kist. Het stichtingsbestuur zorgt ervoor dat alles netjes afgehandeld wordt: de kinderen krijgen hun portie en de rest gaat naar de technische scholen. ‘Handjes’ die 4 jaar een vak hebben geleerd, krijgen een bonus. Rechtstreeks, zonder gedonder. Maar zolang ik kan, ga ik deur.”
Praatfabriek
Op tafel ligt het boek Super Nederland, waarin hij in 2012 zíjn visie op de Nederlandse economie geeft. „Politiek was wel iets voor mij geweest, maar niet op zo’n manier. Een praatfabriek. Er wordt veel te veel lult, je moet doeners hebben. Anpakken, dóen.”
In een zakenkabinet zou Van der Most wel adviseur willen worden van de minister van Economische Zaken. „Ga eens na: met welk deel van je salaris heb je vrij spel? De hypotheek, water, elektrisch: daar heb je allemaal niks over te koop”, doceert Van der Most over alle ‘vaste lasten’.
"Lui met een miljoen op de bank mogen best wat meer belasting betalen. Vind ik helemaal niet erg. Want de rijken worden steeds rijker, het verschil wordt veel te groot." Foto: Gerrit Boer
Als het aan hem ligt, krijgt iedereen meer zeggenschap over het zuurverdiende salaris. En dat krijg je, volgens hem, als er niet zoveel geld nodig zou zijn voor, bijvoorbeeld, uitkeringen. „Ik zeg het heel zwart-wit, maar je moet geen geld meer stoppen in alle mensen die niet meer kunnen werken. Geef ze elke maand 1000 of 1200 euro en klaar. Weg met alles wat erom heen zwerft: allemaal zakkenvullers, ambtenaren en subsidies. Kijk wat dat kost. En al dat geld komt bij de ondernemers weg.”
Volgens Van der Most mogen de miljonairs best wat extra’s bijdragen. „Lui met een miljoen op de bank mogen best wat meer belasting betalen. Vind ik helemaal niet erg. Want de rijken worden steeds rijker, het verschil wordt veel te groot en er is veel stille armoede.”
Anpakken dus.
Dat doen ze hier nog steeds, bij Most Special Products. Buiten op het erf, schuin onder het enorme reuzenrad, ligt een oude windmolen („Dat wordt straks een attractie”), aan de muur hangen schetsen van een hamstermolen – ook een attractie, in de loods werken een man of vijf, zes aan een mobiele parkeergarage met achttien plekken die op één vrachtwagen passen en in zijn hoofd bouwt Van der Most aan een ‘wiegenbed’. „Je ligt op bed en wordt heen en weer gewiegd om in slaap te vallen. Zoals een klein kind in de wieg, maar dan voor ouderen.”
De nieuwste vinding van Hennie van der Most is een ‘wiegenbed’. „Je ligt op bed en wordt heen en weer gewiegd om in slaap te vallen. Zoals een klein kind in de wieg, maar dan voor ouderen." Foto: Gerrit Boer
Zulke dingen bedenkt Hennie van der Most achter het stuur, op weg naar zijn klus in Rotterdam (daarover later meer) of onderweg naar huis in Gorssel, tussen Deventer en Zutphen.
Ik ben vrij, ik hoef niks
Hij woont er alleen, nadat hij in 2004 scheidde van de moeder van hun drie dochters. „Helaas ben ik alleen. Ik ben niet een expert in relaties”, glimlacht hij. „De laatste loog, een ander was jaloers en weer iemand ging vreemd. Steeds pech. Maar ik ben supergelukkig. Ik ben vrij, ik hoef niks. Als ik naar Rotterdam ga – twee keer in de week, stap ik ’s ochtends om vier uur uit bed. Voor de files aan. Maar het hóeft niet.”
Gorssel ligt in de gloriejaren strategisch in het midden van al zijn bezigheden. Nu heeft Van der Most veel verkocht: De Koperen Hoogte, Preston Palace, Kalkar, Meppen en ga zo maar door. „Hier (op het bedrijventerrein in Schuinesloot, red.) heb ik nog onroerend goed in eigendom, vier bedrijven met een kleine honderd man personeel. De exploitatie doen anderen. Maar er is nog werk genoeg, het is drukker dan druk. Ik zal sterven in het harnas, maar daar heb ik nog geen tijd voor. Ik heb nog zoveel onder handen.”
Rotterdam
In 2013 koopt Van der Most er een terrein en de opstallen van een oude afvalcentrale. 12 jaar later ligt hij in de clinch met de gemeente, die het beoogde pretpark maar niet geopend ziet worden. „Het is een gigantische klus”, zegt Van der Most. „Zo veelzijdig en groot; Oranje past er wel drie keer in. Of ik het onderschat heb? Nee, dat is ondernemen: je ziet iets en bedenkt wat. Maar het was niet gepland om er 50 miljoen euro in te investeren. De bedoeling was 15 miljoen.”
Hennie van der Most in 2013 op het net aangekochte terrein in Rotterdam. "Het was niet gepland om er 50 miljoen euro in te investeren." Foto: Jan de Groen
Van der Mosts droom dreigt uit te lopen op een nachtmerrie nu de gemeente een deadline heeft gesteld: eind dit jaar moet Rivoli – de naam van het park – geopend zijn. Zo lang wacht de gemeente met het verlengen van de aflopende erfpachtovereenkomst, waardoor Van der Most nauwelijks externe financiers kan aantrekken om de klus te klaren. „Ik ga geen openingsdatum meer noemen. Dat heeft me alleen maar problemen gebracht”, zegt Van der Most.
Rode loper
Hij haalt de schouders op. „Meestal word ik met de rode loper binnengehaald. In Rotterdam eerst ook. De gemeente was de eerste jaren super positief. Vroegen ze: hoe zie je dat met parkeren? ‘Nou, ik weet wel wat’, zei ik”, wijst Van der Most naar de fabriekshal, waar druk wordt gewerkt aan het mobiele parkeerterrein.
„Heel cru gezegd: Rotterdam heeft me met de rode loper binnengehaald en nu straffen ze me af. Ze hebben me bij de poot, maar ik vecht door. Niet leuk, maar het overkomt je.”
Want ook dat is ondernemen. De tijden zijn veranderd.