De prijswinnende landgoedbeheerders van Bosch en Vaart in Vries: Pieter Battjes, Greet Battjes en Kees Andriesse. Foto: Jaspar Moulijn
Wat begon als één man met een vervallen landgoed, groeide uit tot het levenswerk van drie mensen: Pieter Battjes, zijn zus Greet en zijn partner Kees uit Vries worden onderscheiden voor hun indrukwekkende, langdurige én vrijwillige inzet voor het behoud en herstel van monumentaal erfgoed in Drenthe. Een eer die als een volslagen verrassing komt. „Dit is wel heel mooi, ja.”
Op een koninklijke onderscheiding zit Pieter Battjes (73) niet te wachten. Maar deze erkenning, de Cultuurfonds Onderscheiding, is van een andere orde voor de in Slochteren geboren Drent. Al 42 jaar woont hij in de villa op landgoed Bosch en Vaart in Vries, dat nu zo’n 25 jaar toegankelijk is voor publiek. Eerst alleen, later kwamen zus Greet Battjes (78) en zijn partner Kees Andriesse (78) erbij. Greet woont inmiddels al decennia in de naastgelegen dienstwoning. Vijf avonden per week eten ze samen. „Dan hebben we meteen werkoverleg.”
Een smal paadje langs een hoge beukenhaag leidt naar de kas achter op het landgoed aan de Groningerstraat, dat dateert uit 1881. „Laten we daar gaan zitten, hier is het lekker warm”, stelt Pieter voor. Ondertussen maakt een filmploeg opnames ter voorbereiding op de uitreiking van de Cultuurfonds Onderscheiding op 27 mei in Nieuwegein.
Terwijl Greet de koffie inschenkt, steekt Pieter van wal. „Greet en ik zijn geboren in Slochteren, een onrendabel gebied. Wel hadden we veel grond.”
‘Beginnen en volhouden’
Toen hij acht jaar was, wist hij drie dingen zeker, vertelt hij met een kwajongensblik. „Niet bij een boer werken, niet meer naar de kerk en niet in een arbeidershuis wonen. En daar denk ik nog precies zo over.” Voor zijn vader was dat soms lastig. „Hij zag het anders, maar ik ging mijn eigen gang en stelde mijn ouders voor voldongen feiten. Je moet je eigen kop volgen, anders kom je nergens. Het geheim van succes is beginnen en volhouden.”
De kas op het landgoed in Vries. Foto: Jaspar Moulijn
Voor vierduizend gulden kon de toen achttienjarige Pieter zijn eerste huis kopen. „Mijn vader moest tekenen, maar dat was hij niet van plan. Dus ging ik naar zijn zus, een zakenvrouw. Die wilde wel, maar de staat gaf geen toestemming. Ik kreeg drieduizend gulden oprotpremie. Daarmee kocht ik mijn eerste huis in Appingedam, een winkelpandje.” Het moest verbouwd worden, maar dat vond hij veel te duur, dus hij verhuurde het. „Had ik nog steeds geen huis.” Later kocht hij een woning in Loppersum om het vervolgens ook te verhuren. „Die was zo klein. Als ik mijn kabinet erin zou zetten, paste ik er zelf niet meer bij.”
Op zijn drieëntwintigste vond hij wat hij zocht. Acht jaar woonde hij in Garrelsweer. „Maar ik miste de ruimte en vrijheid van thuis. Toen zag ik dat Bosch en Vaart in Vries te koop stond.”
‘Enorme bende’
Hij ging kijken, maar haakte af. „Een enorme bende was het: woest en ledig, geen vaste plant meer in de grond.” Een jaar later stond het nog steeds te koop, inmiddels voor een lagere prijs. In 1984 greep hij zijn kans. „Ik kocht de villa, de oprijlaan, een deel van de tuin en de theekoepel. Geen mens geloofde dat ik het klaar zou krijgen, maar dat maakte me niks uit. Je moet het zelf geloven.”
Visionair
Kees mengt zich in het gesprek. „Mag ik even?”, zegt hij tegen Pieter. „Visualiseren is zijn gave. Als kind was hij al visionair. Van oude troep maakt hij iets. Als hij zijn ogen dichtdoet, ziet hij hoe het er over tien jaar uitziet.” Dat maakt het voor Greet en Kees ook wel eens lastig. „Alles zit in Pieter zijn hoofd, niets staat op papier. Omdat wij niet kunnen wat hij kan, werken we voornamelijk in opdracht”, grijnst de oud-directeur van Noorderpoort in Groningen. Greet: „Maar we weten dat het altijd goedkomt.”
Deze week werden filmopnames gemaakt op het landgoed in Vries. Foto: Jaspar Moulijn
Na acht jaar kwam ook het koetshuis te koop en streek Greet neer op het landgoed. „Ik woonde aan de Kraneweg in Groningen en wilde weer naar buiten”, zegt ze. „Op voorwaarde dat ik mijn vakanties hield. Pieter hield daar niet van.”
Kees volgde een poosje later. „Ik fietste hier vaak langs op mijn racefiets.” Pieter schiet in de lach: „Eerst langs de andere kant van het kanaal, maar je kwam steeds dichterbij.” Een dikke rottweiler hield hem tegen. „Uiteindelijk heb ik de stoute schoenen maar eens aangetrokken. Dacht: die man zit daar altijd maar in z’n eentje. Dat was ik ook. Toen had je nog geen datingsites.” De twee raakten aan de praat en de vonk sloeg over. „Na mijn werk ging ik hier gootjes graven, anders verzopen de jonge bomen.”
Vijfentwintig jaar geleden werd het zestien hectare grote landgoed opengesteld voor bezoekers. Kees: „We maakten afspraken met de gemeente. Openbaar toegankelijk, in ruil voor een dienstwoning en eigen grafheuvel voor ons drieën. Dat is gelukt.” Het doel was helder: het landgoed in ere herstellen. „Toen ik hier kwam, was alles gerooid. De tuinen waren weiland”, zegt Pieter.
Behoud van monumentaal erfgoed
Het drietal streeft sindsdien hetzelfde na: het behoud van Bosch en Vaart en andere rijksmonumenten in Drenthe, nu en in de toekomst. Sinds 2013 zijn hun activiteiten ondergebracht in de Stichting Bosch en Vaart. Daaronder vallen naast het landgoed in Vries ook andere monumenten, zoals boerderij De Reesthorst in De Schiphorst, hoeve De Kale Kluft in Ruinerwold en het Evesingehus bij Meppel.
„Dat is een langzaam denkproces geweest”, zegt Kees. „De vraag was: stel dat we doodgaan, wat dan? We wilden voorkomen dat familie of een makelaar het landgoed opknipt en verkoopt, zoals hier eerder gebeurde. Dat is op deze manier onmogelijk gemaakt.”
Op het terrein zijn vrijwilligers intussen druk bezig met rozen knippen, hagen snoeien en het verwijderen van stro rond de gunnera, een uitheemse plant met enorme bladeren. „Veel bewoners van buitenplaatsen waren reizigers, daarom zie je hier veel exoten”, zegt Pieter. Kees: „We hebben één regel: vrijwilligers doen wat ze leuk vinden, binnen de grenzen van Pieter.”
Zuinig
Over het verdienmodel van Landgoed Bosch en Vaart is Kees helder. „Het pensioen van Greet en mij. Ik heb het geluk dat dat door mijn baan in het onderwijs heel goed geregeld is.” Pieter grinnikt: „En ik heb een AOW’tje.” Kees vervolgt: „We leven onvoorstelbaar zuinig: wij rijden in een oude auto; ik geloof dat de vorige bijna een miljoen kilometers gelopen heeft. We drinken geen druppel alcohol en gaan nooit uit eten. Veel te duur en vaak niet eens lekker.”
Vijf keer per week schuift het drietal samen aan tafel voor de warme prak. Greet zorgt voor de groente, de mannen koken om de beurt. „Tijdens het eten hebben we werkoverleg”, zegt Greet lachend. „In het weekend zijn we vrij. Pieter en Kees fietsen vaak, ik doe dingen met vriendinnen.”
Over de toekomst is Pieter resoluut. „Zolang we kunnen lopen, blijven we bezig. Naar een knarrenhof gaan we nooit, dat vinden we verschrikkelijk. Ik ken ze wel, hoor: mensen van onze leeftijd die een half jaar op de Canarische Eilanden zitten, een beetje bingo spelen en drinken. Niks voor ons. We gaan door tot we op het grafweiland terechtkomen. Af en toe liggen we even proef. Je weet niet hoe lekker het is om van daaruit naar het zonnetje te kijken.”
De onderscheiding wordt op woensdag 27 mei uitgereikt in Fort de Batterijen in Nieuwegein, door de commissaris van de Koning in Utrecht en de voorzitter van het Cultuurfonds.