Mevrouw Buring uit Westerbork wordt woensdag 100 jaar. Foto: Boudewijn Benting
„Leuk dat je er bent, kom binnen”, roept Dina Burema-Schrage enthousiast terwijl ze de voordeur van haar woning aan de Zuidhof in Westerbork openzwaait. Aan haar energie is nauwelijks af te lezen dat ze woensdag honderd jaar wordt. Aan haar verhalen al helemaal niet.
Als de bijna eeuweling eenmaal in haar stoel bij het raam zit, komen de anekdotes vanzelf. Tot veertien dagen geleden liep ze twee keer per week nog 5 kilometer door de buurt. „Ik voel dat het minder wordt. De kracht in mijn benen raak ik wat kwijt.” Maar ik doe nog steeds zelf de boodschappen hoor. Ik heb het geluk dat ik hier woon. Alles is dichtbij en de buurt is fantastisch. Iedereen helpt elkaar.”
Burema werd geboren op de boerderij van haar ouders in Glimmen, als enige meisje tussen zes broers: drie ouder, drie jonger. „De jongens deden geen meidenwerk. Daar was ik voor. De schoolarts zei ooit tegen mijn moeder: ‘ Uw dochter groeit krom.’ Mijn moeder wist wel hoe dat kwam: ik stond elke dag zes melkbussen van 30 liter te schrobben. Hard werken hoorde er gewoon bij. Wel waarschuwde ze me steeds: ‘Schouders recht, anders krijg je een plank tegen je rug.’ Zodra ik de deurklink hoorde, wist ik dat ze eraan kwam. Deed ik snel mijn schouders naar achteren.”
‘Meesters liefje’
Omdat haar moeder vaak ziek was, ging ze regelmatig niet naar school. „Niemand die er iets van zei. Er werd niet over gesproken. De meester gaf me een vel met vermenigvuldigingen. ‘Kijk maar of je het snapt’, zei hij. Mijn klasgenootjes zeiden dat ik alles fout had, maar uiteindelijk bleek alles goed. Vanaf dat moment was ik ‘meesters liefje’. Daar ben ik verschrikkelijk mee gepest.”
Ze was een slimme leerling, sloeg zelfs een klas over. De onderwijzer wilde haar graag een kans geven om verder te komen. „Ik wou graag naar de Mulo. Maar dat mocht niet van mijn ouders. Weggegooid geld. Een vrouw trouwt toch wel en heeft thuis werk genoeg, vonden ze.”
Koken en sokken stoppen
Ze hielp mee op de boerderij van haar ouders, maar volgde ook een naaicursus en ging op kookles. „Vrouwen moesten kunnen koken en sokken stoppen. Ik heb altijd mijn eigen kleren gemaakt en heel wat wandkleden. Geen patroon was me te moeilijk. Eén ervan, met jagers en honden erop, die heb ik nog steeds. Toen ik het garen ging halen, schrok ik me wezenloos: veertig bosjes, dat was ontzettend veel. Maar ik kreeg alle ruimte om zulke dingen te maken. ‘Het werk kan morgen ook nog wel’, zei mijn moeder dan.
Dan vertelt ze ineens een verhaal dat haar nog altijd raakt. „Mijn moeder kwam uit een gezin van negen kinderen. Een broer van haar vader kon geen kinderen krijgen. ‘Doe ons er maar een van jullie’ zei die oom. Zo is mijn moeder daar terechtgekomen. Ze was 10 jaar oud. Zo ging dat toen, niemand keek ervan op. Ze zijn altijd heel goed voor haar geweest. Maar toen ze 90 was, zag ik haar ineens in tranen. ‘Ze hebben me gewoon weggegeven’, zei ze. Zolang kan verdriet blijven zitten.”
Géén boer
Lang hield ze zichzelf voor: géén boer voor mij. „Ik wist hoeveel werk dat was. Maar ik ben er toch over gestruikeld”, vertelt ze lachend. „Het was vlak na de oorlog. Ik logeerde vaak bij mijn nicht in Schoonloërveld, Piet was de buurjongen. Zijn ouders hadden ook een grote boerderij. We gingen samen naar feestjes. Ik had geen fiets en zat bij hem voor op de stang. Zo is het gegroeid.”
In 1951 trouwde het stel en verhuisde naar de boerderij van haar schoonouders. Daar werd in 1953 dochter Jannie geboren, drie jaar later zoon Luurt. „Van elk één. Of nou ja”, grinnikt ze, „tegenwoordig heb je geloof ik meer soorten. Maar wij vonden het prima zo.” Net als op de boerderij van haar ouders pakte ze alles aan: melken, hooien koeien binnenhalen, de tuin. Een ding weigerde ze. „Leren autorijden was ik niet van plan. Ik had geen zin om ingezet te worden als chauffeur voor mijn schoonmoeder.”
Toen haar schoonouders overleden, besloot ze hun deel van de boerderij te verhuren aan vakantiegangers. Veel te groot om schoon te maken, vond ze. „Veel mensen zeiden: zou je dat nou wel doen? Straks allemaal van die Amsterdammers om de deur. Ik zette een advertentie: 600 meter van de weg, dicht bij het bos, 6 kilometer vanaf het dorp. Dat schrikt wel af, dacht ik. Vanaf het eerste moment zaten we vol.”
Gratis boontjes en aardappels voor de gasten
Boontjes en aardappels uit de moestuin kregen de gasten er gratis bij. „Laatst las ik nog in het gastenboek. Ik was even vergeten hoe gek we waren, haha. Ik wilde die mensen niet in de tuin hebben, weten die Westerlingen veel. Dus zei ik: Zeg maar wat je wilt hebben, dan pluk ik het wel voor je.”
In 1989 verkochten ze de boerderij en verhuisden naar Westerbork. „Ik wilde dicht bij de winkels, ruimte om het huis en een leuke buurt. Dat is gelukt. We hebben samen nog achttien mooie jaren gehad. Piet had reuma, hij is 85 jaar geworden.”
Dochter Jannie schenkt nog een kop koffie in. ‘Heb je al verteld over die luchtballon’, vraagt ze haar moeder. Burema grinnikt. „Ik was aan het fietsen met mijn vriendin Tiny. We waren beiden 90 geworden. Ik vertelde haar dat het me wel wat leek, een tochtje in zo’n ballon. Zij vond het ook wel wat. Nou, toen hebben we dat georganiseerd met z’n tweeën. We gingen hoger en hoger. Ik kreeg het steeds benauwder, trok wit weg. Toen zette de piloot de daling in. Beneden stond een ambulance klaar en werd ik afgevoerd naar het ziekenhuis. Daar was ik meteen de ster van de afdeling.”
‘Gewoon blijven ademen’
Een wensenlijstje heeft ze niet meer. „Ik heb zo’n beetje alles gedaan wat ik wou.” Een recept voor een lang leven? Ze hoeft er niet over na te denken. „Jawel. Gewoon blijven ademen. Als je daarmee stopt, is het over. En heel veel lopen.” Dan volgt toch nog één laatste wens.. „Ik hoop dat ze hier in de buurt allemaal verschrikt raken. Want dan ben ik ingeslapen.”