Een graf van een Molukse KNIL-militair. Rens Hooyenga
Een deel van de Molukse gemeenschap zegt het vertrouwen op in de stichting Molukse KNIL-graven Assen en Midden-Drenthe. Ze vinden dat de stichting een gevoelig deel van de Molukse geschiedenis doelbewust negeert.
De stichting werd vorig jaar in het leven geroepen toen de gemeenten Assen en Midden-Drenthe de grafrechten voor Molukse KNIL-graven en hun partners kosteloos met 30 jaar verlengden. Daarmee kregen de graven een bijzondere status. Maar niet iedereen binnen de Molukse gemeenschap had vertrouwen in de stichting.
De stichting kan als rechthebbende van een graf optreden, bijvoorbeeld voor het onderhoud. Nabestaanden kunnen hun grafrechten aan de stichting overdragen. Mogelijk worden de grafrechten in de toekomst opnieuw verlengd.
Ook gaat de stichting het verhaal van de Molukkers vertellen. Plan is om dat te doen met insignes op de graven en drie monumenten op de begraafplaatsen in Assen, Bovensmilde en Hooghalen. Voor de taken kreeg de stichting 100.000 euro van Assen en Midden-Drenthe.
Bewust negeren
Maar een deel van de Molukse Assenaren en Smildegers is bang dat het verhaal van de stichting van de Republiek der Zuid-Molukken dan niet goed over het voetlicht wordt gebracht. De stichting wil de politieke kant van de Molukse aanwezigheid in Nederland niet opnieuw oprakelen. Daarmee, zo is het gevoel, zou de stichting dat deel van de geschiedenis bewust negeren.
„Hoewel beide groepen voor de grafrechten voor onze ouders opkomen, staan we lijnrecht tegenover elkaar. Als je het verhaal van RMS niet vertelt, dan laat je je eigen geschiedenis door een ander vertellen. Wij willen geen rood-wittehanden aan onze graven”, zegt Otjep Hully, voorzitter van de werkgroep RMS Assen-Bovensmilde. De roodwitte vlag is de vlag van het huidige Indonesië, waar de Molukse eilanden nu deel van uitmaken.
In de Molukse kerk in Assen lanceerdede werkgroep zondagmiddag een handtekeningenactie onder de noemer ‘Niet mijn eerbetoon’, zodat de Molukse gemeenschap zich uit kan spreken tegen de werkwijze van de stichting Molukse KNIL-graven Assen en Midden-Drenthe. Ze willen ze dat de stichting erkent dat de overtocht van de Molukse militairen uit het vroegere Koninklijk Nederlands-Indisch Leger naar Nederland onlosmakelijk verbonden is met het uitroepen van de Molukse staat in 1950 en dat dit verhaal wordt verteld op de begraafplaatsen.
„Doel is erkenning van het leed dat de eerste generatie Molukkers is aangedaan”, zegt Hully. „Dit is een principiële kwestie. Het verhaal van de RMS is niet onderhandelbaar. Soms moeten wij met harde woorden de waarheid op tafel leggen.”
Overigens is niet iedereen blij met die harde taal. Sommigen hekelen de spanningen binnen de Molukse gemeenschap, zoals Melie Lumalessil-Metiary. Zij doet een emotionele oproep om het gesprek met elkaar te blijven voeren. „Waarom moeten wij altijd tegen elkaar ingaan? Ik bid dat het goedkomt tussen ons allemaal.”
Overtocht in 1951
RMS staat voor Republik Maluku Selatan, de naam van de Molukse staat die in 1950 werd uitgeroepen. De republiek Indonesië wilde geen onafhankelijke Molukse staat en voor Molukse KNIL-militairen was het niet meer veilig in het land. Zij hadden aan Nederlandse zijde gevochten toen Indonesië nog een kolonie was. De Nederlandse regering besloot de Molukse KNIL’ers en hun gezinnen in 1951 op dienstbevel – onvrijwillig – naar Nederland te halen, in afwachting van een oplossing. Hun verblijf zou voor enkele maanden zijn.
Van de eigen onafhankelijke staat kwam niets terecht, omdat die nooit werd erkend. Daarmee werd het verblijf van de Molukkers in Nederland definitief, terwijl de KNIL-militairen terug wilden.Lange tijd leefden de KNIL-militairen en hun nakomelingen in erbarmelijke omstandigheden in woonoorden, omdat ze ervan uitgingen dat hun verblijf tijdelijk was.