De vreedzame strijd van een nieuwe generatie Molukkers uit Bovensmilde gaat door. 'Onze geschiedenis is meer dan de handel in kruidnagel en harde acties in de jaren zeventig'
Jecy Sihasale, Serena Titapasanea en Stephano Wattimury zijn de derde generatie Molukkers uit Bovensmilde. Hun hart op de Molukken, bij hun familie, bij hun volk. Foto: Marcel Jurian de Jong
Serena Titapasanea, Jecy Sihasale en Stephano Wattimury namen deze week afscheid van hun geliefde ‘oom Oenoe’, Junus Ririmasse uit Bovensmilde. Ze willen zich, net als hij dat deed, blijven inzetten voor hun volk. „De Molukse geschiedenis is meer dan de handel in kruidnagel en de harde acties uit de jaren zeventig.”
Ze wilde de reacties op Facebook eigenlijk niet lezen, de uitlatingen onder de reportage over de uitvaart van haar oom ‘Oenoe’ in Dagblad van het Noorden. Moordenaar werd-ie zelfs genoemd. Bezijden de waarheid. ,,Wat mij het meest frustreert’’, zegt Serena Titapasanea (31), ,,is dat veel mensen onze geschiedenis, ons verhaal, niet eens kennen en dus niet weten wat de actievoerders ertoe heeft gezet om over te gaan tot een hardere aanpak. Mensen schreven in een reactie dat het ‘belachelijk’ was dat wij ‘een treinkaper’ herdenken. Dat raakte me.’’
Haar oom Oenoe was Junus Ririmasse, tweede generatie Molukker in Nederland, betrokken bij de kaping bij de Punt in 1977 waarbij zes Molukse kapers en twee gijzelaars door kogels van mariniers en precisieschutters om het leven kwamen. Ririmasse overleefde de gewelddadige beëindiging, ondanks tien kogels in zijn lijf, maar worstelde de rest van zijn leven met wat er was gebeurd. Vorige week overleed hij op 71-jarige leeftijd, na een lang ziekbed.
Honderden mensen namen afscheid van hem. De Molukse wijk in Bovensmilde werd gevuld met vlaggen, vuurwerk en een lange rouwstoet.
De uitvaart van Junus Ririmasse in Bovensmilde. Zijn graf krijgt een bijzondere status. Foto: Marcel Jurian de Jong
Stephano Wattimury (30) liep vooraan, als een van de vijf mannen van de zogeheten barisgroep. Letterlijk vertaald: de marcheergroep. Mannen die bij speciale gelegenheden op deze wijze een eerbetoon brengen aan het verleden van de Molukkers in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL).
Met de regeringsbelofte dat het een tijdelijk verblijf zou zijn, werden Molukse KNIL-soldaten in 1951 met hun gezinnen naar Nederland gebracht. Terugkeren om te vechten voor hun vrije Zuid-Molukse republiek, de Republik Maluku Selatan (RMS), was na het gedwongen ontslag uit militaire dienst in Nederland niet meer mogelijk. Ze kregen de status ‘statenloos’ en werden in de voormalige concentratiekampen Westerbork en Vught ondergebracht. De Zuid-Molukse eilanden, hun thuis, werden met geweld ingelijfd door Indonesië.
Tussen Stephano en Serena in, aan een grote tafel in het buurthuis Molo Oekoe, midden in de wijk, zit Jecy Sihasale (43). Alle drie zijn ze in de afgelopen jaren al eens ‘terug’ geweest naar de Molukken. Ze zijn in Nederland geboren, maar die reizen voelden als thuiskomen. Hun hart is daar, bij hun familie, bij hun volk.
Achter Jecy, Serena en Stephano hangt een groot kunstwerk van Junus Ririmasse, in het Molukse buurthuis in Bovensmilde. Foto: Marcel Jurian de Jong
,,De reacties van mensen zouden al heel anders zijn, denk ik, als de Molukse geschiedenis wél onder Nederlanders bekend zou zijn’’, zegt Jecy. ,,Als die geschiedenis wél uitgebreid in onderwijsboeken zou staan. Als je het hebt over JP Coen, verantwoordelijk voor de slachting op Banda. Ik bedoel, er staat een standbeeld voor die man (in Hoorn, een rijksmonument, red). En iemand die voor ons volk een vrijheidsstrijder is, wordt hier altijd verengd tot treinkaper en terrorist.’’
Junus Ririmasse uit Bovensmilde overleed op 71-jarige leeftijd. Foto: Marcel Jurian de Jong
Jan Pieterszoon Coen (1587-1629), de hoogste baas van de Vereenigde Oostindische Compagnie, organiseerde in 1621 een strafexpeditie naar Banda, om het monopolie op handel in nootmuskaat veilig te stellen. Van de 15.000 bewoners van de Banda-eilanden (onderdeel van de Molukken) werd het merendeel gedood of in slavernij afgevoerd.
Junus Ririmasse (1949-2021) was in Bovensmilde en voor de Molukse gemeenschap naast een vrijheidsstrijder vooral een kunstenaar. Een geliefd mens, heel erg betrokken bij iedereen in de wijk, vooral bij de jeugd. Zijn beeldhouw- en schilderwerken zijn overal rond in en in het Molukse stichtingsgebouw aanwezig. ,,Ik denk dat bijna iedereen wel een kunstwerk van hem of een van zijn broers in huis heeft’’, zegt Serena.
Stephano: ,,Oom Oenoe liet je je eigen gedachten ontwikkelen, als je met hem over zijn kunstwerken sprak. Hij heeft prachtige dingen gemaakt, waardoor je ging nadenken. En hij wilde dat je je eigen weg ging zoeken.’’
Stephano Wattimury. Foto: Marcel Jurian de Jong
Junus Ririmasse streed voor gerechtigheid en bleef aandacht vragen voor de situatie op de Molukken.
Jecy: ,,Een vrije Zuid-Molukse republiek is nog altijd wel een stip aan de horizon. Maar je moet realistisch blijven. Wat het belangrijkste is, is dat de mensen op de Molukken zich vrij kunnen bewegen. Als wij hier op 25 april de proclamatie van de RMS vieren, moeten onze mensen, onze familie op de Molukken dat ook kunnen doen. Willen ze net als wij op 11 juni de vrijheidsstrijders herdenken, dan moet dat kunnen. Als ze op welke dag dan ook de RMS-vlag willen hijsen, dan moeten ze dat kunnen doen. En niet, zoals het al decennia is, in angst leven dat ze dan opgepakt kunnen worden. Onze mensen daar hoeven niet eens met de vlag te wapperen, want het Indonesische leger weet dat in bepaalde huizen zo’n RMS-vlag ligt. Huizen worden binnengestormd, mensen worden zonder reden opgepakt. Dat zijn schendingen van mensenrechten en het is schandalig dat die situatie nog altijd zo bestaat.’’
De Nederlandse regering heeft de Zuid-Molukse republiek RMS, die op 25 april 1950 op Ambon is uitgeroepen, nooit erkend. Diverse (internationale) onderzoekers hebben de proclamatie echter wel ‘rechtmatig’ genoemd.
,,Voor die erkenning zullen we met de volgende generatie moeten proberen aandacht te krijgen voor de RMS’’, zegt Jecy. De andere twee knikken. ,,Door te lobbyen in het buitenland. Brussel. Parijs. Niet in Den Haag. We zijn als derde en vierde generatie zo goed geschoold dat we onze krachten zouden moeten bundelen om te kijken wat we kunnen doen. We moeten niet alleen op 25 april en andere belangrijke dagen bij de Indonesische ambassade staan, we moeten er eigenlijk – dat is heel makkelijk gezegd – elk weekend gaan staan.’’
Jecy Sihasale. Foto: Marcel Jurian de Jong
Waar ze de laatste maanden actief mee bezig is, is de lobby voor een beschermde historische status voor de graven van de eerste generatie Molukkers, de KNIL-soldaten. Families hoeven dan de grafrechten niet te betalen, de graven worden niet geruimd en vooral zou zo’n status voor Molukkers gelden als erkenning. De burgemeester van Tiel was de eerste die met een soortgelijk verzoek instemde, eerder dit jaar. Ook de gemeente Helmond liet al weten de grafrechten te willen gaan betalen voor overleden KNIL-militairen. Jecy is er, samen met anderen, over in gesprek met de gemeenten Assen en binnenkort met Midden-Drenthe.
En dan is er nog de strijd om de RMS-vlag, die aan de trein bij De Punt heeft gehangen en tegenwoordig in het mariniersmuseum in Rotterdam ligt. ,,Alsof het een soort pronkstuk is’’, zegt Stephano. ,,Zo van: kijk eens wat wij hebben buitgemaakt. Ik vind dat dat niet klopt.’’
Junus Ririmasse vond ook dat dat niet klopt en bemoeide zich op de achtergrond met de zaak. De RMS-regering-in-ballingschap schreef er eerder dit jaar een brief over aan demissionair premier Mark Rutte. Niet met het gewenste resultaat. ,,Het is te makkelijk om je daar als Nederlandse regering niet mee te bemoeien’’, zegt Stephano. ,,Want dan trek je wéér je handen ergens van af.’’
Maar wat kun je doen tegen zo’n vooral als onwillige en onwetende ervaren houding, waar Jecy, Serena en Stephano al hun hele leven mee worden geconfronteerd?
,,Het onderwijs moet meer vertellen over de Molukse geschiedenis’’, zegt Serena. Ook in Kamp Schattenberg, zoals de Molukkers kamp Westerbork noemen – de eerste generatie werd bij aankomst in de voormalige oorlogsbarakken gestopt, de tweede generatie groeide er deels op – zou uitgebreider aandacht moeten zijn voor de Molukse geschiedenis, vult Jecy aan. ,,Ik vind wat daar nu te zien is te klein, te veel weggestopt.’’
Serena Titapasanea. Foto: Marcel Jurian de Jong
Serena: ,,Wij Molukkers maken al zó lang onderdeel uit van de Nederlandse geschiedenis. Het is niet alleen de handel in kruidnagel of de acties in de jaren zeventig. Dan sla je echt veel te veel over.’’
Als basisscholier greep ze elke spreekbeurt aan om haar klasgenoten te vertellen over de geschiedenis van haar volk. Toen ze op de middelbare school een canvasdoek wilde maken met krantenartikelen over de kaping, met middenin de RMS-vlag die als een bol uit een gescheurde Indonesische vlag tevoorschijn kwam, prikkeldraad eromheen, was haar docent allerminst enthousiast.
,,Het was een werkstuk voor culturele kunstzinnige vorming, maar de docent wilde eigenlijk niet dat ik dat ging maken. Ze vond het veel te veel politiek. En ik begreep dat niet. Je zou het als docent toch goed moeten vinden dat een 17-jarige daar mee bezig is?’’
Junus Ririmasse zette de jeugd in zijn eigen wijk aan het denken. Inmiddels volwassen willen ze zijn strijd voor gerechtigheid en vrijheid voor hun volk vreedzaam voortzetten.