Pantservoertuigen op rupsbanden staan in mei 1977 paraat bij de lagere school in Bovensmilde, waar ruim honderd schoolkinderen en vijf leerkrachten worden gegijzeld. Foto: Nationaal Archief
Tussen 21 maart en 21 juni 1951 arriveerden duizenden Molukse KNIL-militairen met hun gezinnen in Nederland. Zij keerden nooit terug en dat leidde in de jaren 70 tot harde acties. Een drieluik over 70 jaar Molukkers in Nederland. Vandaag deel 2.
Noes Solisa had eind 1975 een van de Molukse bezetters van het Indonesische consulaat in Amsterdam kunnen zijn. „Het noodlot wilde dat ik niet thuis was, anders was ik gevraagd mee te doen. Ik trok veel met deze jongens op, het waren mijn vrienden hè. Maar echt: ik wist niet wat ze gingen doen. Ik-wist-het-niet. Achteraf gezien kwam het goed uit, want ik moest het woord voeren voor de Zuid-Molukse jongeren.”
Solisa en zijn vrienden komen in die tijd bijeen in schuurtjes in de Molukse wijken in Assen en Bovensmilde. Het gevoel leeft dat harde actie nodig is voor de strijd voor een Vrije Republiek der Zuidmolukken (, kortweg RMS). Zeker als zeven jonge Molukkers op 2 december 1975 een trein kapen bij Wijster.
„Ze wilden de actie in Wijster ondersteunen. ‘Wij moeten ook iets doen, we kunnen hen niet alleen laten’. Twee dagen later bezetten ze het consulaat in Amsterdam. Nogmaals, ik wist het niet. Mijn broer zat er notabene bij. Hij kwam niet thuis. Die avond kwam het besef: hé, Bobby is ook weg.”
Van de treinkaping in Wijster zegt Solisa ook niets te hebben geweten. „Nee, nee, nee! Het overkwam ons, Wijster heeft ons helemaal overrompeld. Heel de Molukse gemeenschap. De groep heeft het bij zich gehouden.”
De met kogels doorzeefde trein bij De Punt waarin kapers en twee gijzelaars om het leven kwamen. Foto: ANP
Woordvoerder voor de Molukkers? ‘Ik heb meteen ja gezegd’
Noes Solisa, inmiddels 68 jaar, woont in Assen. Aan de keukentafel spreekt hij ruim 2 uur lang. Over Kamp Schattenberg, het voormalige Kamp Westerbork, waar hij is geboren. Een jaar nadat zijn vader er in 1951 als KNIL-militair wordt ondergebracht. Hij praat over de pijn die zijn ouders lijden: vader krijgt ontslag als militair. De belofte om de KNIL’ers en hun families binnen 6 maanden terug te brengen naar Ambon komt de Nederlandse regering niet na. Die 6 maanden zijn inmiddels 70 jaar geworden.
Ook spreekt Solisa over de Molukse gijzelingen in de jaren 70. Hij maakt deel uit van de actievoerende Zuid-Molukse jongeren, waarvan de harde kern in Assen en Bovensmilde woont. „Ik heb wel aan verfacties meegedaan en we trokken aan de noodrem van de trein. Onschuldige acties vergeleken met de gijzelingen.”
Solisa zit op de pedagogische academie De Eekhorst in Assen, spreekt goed Nederlands en is niet al te radicaal. Hij komt uit de Molukse wijk in Bovensmilde en kent de Molukse jongeren in Assen en Bovensmilde. Niet vreemd dus, dat de Molukse wijkraden hem tijdens de gijzelingen in 1975 naar voren schuiven als woordvoerder. „Iemand moet het Molukse verhaal vertellen en wij denken aan jou, zeiden ze. Ik heb meteen ja gezegd, uit verantwoordelijkheidsgevoel. Over de consequenties heb ik niet nagedacht. Ik was pas 23 jaar.”
Solisa, herkenbaar aan zijn grote krullenbos, wordt van camera naar camera gesleept, geeft persconferenties, spreekt met bewindslieden. Hij wordt nationaal en internationaal een bekend gezicht.
De tweede generatie Molukkers grijpt naar wapens
Tussen 1970 en 1978 komen 15 mensen om het leven bij de Molukse acties: 9 gegijzelden en 6 actievoerders. Veel meer mensen raken voor het leven beschadigd. Hoe kon de strijd voor het ideaal van een vrije Zuid-Molukse republiek zo uit de hand lopen? Waarom greep de jonge generatie Molukkers, in Nederland geboren, naar de wapens?
De antwoorden op die vragen zijn complex. Duidelijk is dat de tweede generatie, kinderen van de KNIL-militairen die in 1951 naar Nederland waren verscheept, zwaar teleurgesteld raakt in het uitblijven van een onafhankelijke RMS. Ze zien hun ouders lijden, zij zouden slechts 6 maanden in Nederland blijven. Trotse militairen, zomaar ontslagen, kunnen niet terug naar hun vaderland. Ingepakte hutkoffers staan jarenlang klaar voor de terugreis naar de Molukken.
Maar die reis komt niet. Langzaam maar zeker wordt het de Molukkers duidelijk dat Nederland niet bij machte is of geen belang heeft bij de oprichting van een Zuid-Molukse republiek. Van de regering in Indonesië hoeven de Molukkers al helemaal niets te verwachten. Die onderdrukt de christelijke gemeenschappen op eilanden als Ambon, Ceram, Saparua en Haruku.
Veel Molukse jongeren – kinderen van de KNIL-militairen – zijn nog nooit op de eilanden geweest, maar verdiepen zich in de jaren 60 en 70 wel in de Molukse cultuur van hun ouders en voorouders. Tegelijkertijd onttrekt de jeugd zich steeds meer aan het ouderlijk gezag. De Molukse opvoeding is over het algemeen streng, ingegeven door de militaire achtergrond van hun ouders, maar de vrijheid van de jonge generatie neemt toe, mede door de verhuizingen vanuit de eerste opvangplekken, woonoorden zoals Schattenberg, naar woonwijken in dorpen en steden. Er ontstaat ruimte om bij elkaar te komen en Molukse idealen te bespreken. Met het besef dat het bereiken van het Molukse ideaal eerder verder weg lijkt te drijven dan dichterbij komt neemt de frustratie toe.
Gevestigde leiders als president Johan Manusama worden met argwaan bekeken. Hij bewandelt de politieke weg en verafschuwt geweld. Maar wat krijgt hij voor elkaar? Zeker nadat Isaac Julius Tamaela zichzelf in 1968 tot de nieuwe RMS-president uitroept, ontstaat een grote tweedeling in de Molukse gemeenschap. Tamaela gaat veel nadrukkelijker internationaal op zoek naar steun voor de Molukse zaak en met zijn ‘commando’s’ maakt hij gebruik van militair vertoon. Een voedingsbodem voor jongeren die bereid zijn om tot actie over te gaan.
Joseph Luns, toenmalig minister van Buitenlandse Zaken, zakt door een tuinhekje bij de bezette woning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar in 1970. Luns wilde zelf een kijkje nemen maar bevond zich binnen schootsafstand en maakte zich schielijk uit de voeten. Foto: Nationaal Archief
Een ‘beschamende schietpartij’ in Zeeland (1956) en brandbommen in de Indonesische ambassade in Den Haag (1966)
Een aankondiging van de gewelddadige acties is het drama in het Zeeuwse Westkapelle. In 1956 voert Nederland de zogenoemde zelfzorgmaatregel in. Molukkers moeten in hun eigen levensonderhoud (huur en eten) voorzien, niet alles wordt meer door de staat betaald. In veel opvangkampen stuit dit op verzet: het betekent dat een terugkeer naar de Molukken verder weg komt te liggen.
In het opvangkamp in Westkapelle ontstaat onrust en protest tegen de maatregel. De burgemeester reageert met de inzet van de speciale politie-eenheid De Harde Bijstand. Gevolg: een schietpartij waarbij negen Molukkers gewond raken. Verschillende mannen komen in de gevangenis terecht en enkele gezinnen worden gedeporteerd naar andere kampen. Een Zeeuwse gedeputeerde spreekt bij de onthulling van een monument in 2011 over een „beschamende schietpartij” en „iets dat nooit had mogen gebeuren”.
Tien jaar na de schietpartij in Westkapelle komt de opgebouwde frustratie onder de Molukse jeugd tot een climax tijdens de allereerste Molukse geweldsactie. In de nacht van 26 op 27 juni 1966 sticht een groep jongeren brand in de Indonesische ambassade in Den Haag, door brandbommen naar binnen te gooien. De daders ontkomen via de tuin van het Catshuis.
Directe aanleiding voor de brandstichting vormt de executie van RMS-president Chris Soumokil in Indonesië. Soumokil is hét gezicht van de Molukse strijd voor onafhankelijkheid, ook in Nederland. Na de proclamatie van de RMS in 1950 leidt hij vanuit Ambon en Ceram tot aan zijn arrestatie dertien jaar lang de gewapende strijd tegen het Indonesische leger. Zijn dood zorgt voor groot verdriet in de Molukse gemeenschap en het beeld van zijn jonge weduwe en zoontje Tommie, die in juli 1966 aankomen op Schiphol, zorgt voor gevoelens van onmacht en woede.
Eerste dag gijzeling school Bovensmilde. Zuidmolukse vrouwen verzamelen voedsel voor de school.
De pijn in de Molukse gemeenschap blijft groeien
„Verschrikkelijk vonden we het”, zegt Melie Lumalessil-Metiarij. Ze is de dochter van de bekende dominee Samuel Metiarij, een belangrijk figuur in de Molukse gemeenschap en oprichter van de Molukse eenheidspartij Badan Persatuan. Na hun aankomst in Nederland komen de weduwe en haar zoontje tijdelijk inwonen bij het gezin Metiarij in Assen.
Melie Metiarij zit dicht op het vuur, krijgt veel mee van de pijn binnen de Molukse gemeenschap. ,,Zoiets blijft altijd onderdeel van jezelf.”. Als je haar woning in de Molukse wijk in Assen binnenstapt, ziet je het. In de gang zit de Molukse vlag aan de vlaggenstok en boven de kapstok hangen foto’s van de elf schepen waarmee de Molukkers naar Nederland kwamen. Middenin de woonkamer staat een beeld van kapitein Pattimura, die in 1817 de opstand leidde tegen de Nederlandse bezetting op het eiland Saparua.
„Al vanaf een jaar of 16 ging ik mee met demonstraties”, zegt ze. „Vooral op 25 april in Den Haag, op de dag van de proclamatie van de RMS. Dat had natuurlijk wel iets grimmigs, maar je moedigde elkaar ook aan. ‘Viva RMS!’, riepen we. Vervolgens riep ik ‘Viva!’ en de rest ‘RMS!’ Ik had een harde stem, net als mijn vader.”
De lont in het kruitvat: het staatsbezoek van de Indonesische president Soeharto in 1970
In 1970 wordt de lont in het kruitvat gestoken wanneer de Indonesische president Soeharto voor een staatsbezoek naar Nederland komt. De Badan Persatuan van Metiarij en de RMS-regering onder Manusama tekenen protest aan.
Molukse jongeren laten het er niet bij zitten. Hoewel er plannen zijn voor meerdere aanvallen, blijft het bij één gijzelingsactie. 33 jongeren, onder wie de man van Melie Lumalessil-Metiarij, overvallen op de vroege ochtend van 31 augustus de Indonesische ambassade in Wassenaar. Daarbij wordt agent Hans Molenaar, die buiten patrouilleert, doodgeschoten. Eenmaal binnen gijzelt de groep het personeel, de ambassadeur weet op tijd weg te komen. De jongeren eisen een gesprek tussen Soeharto en de Molukse regering in ballingschap. Deze eis wordt niet ingewilligd, hoewel de Nederlandse regering wel toezegt met Manusama in gesprek te gaan. Na 12 uur geven de gijzelnemers zich over.
Hoewel de rechter begrip toont voor de nood onder de Molukse jeugd en relatief lage straffen oplegt (tussen de 4 maanden en 3 jaar), reageert de Nederlandse bevolking ontzet. Molukse jeugd wordt overal geconfronteerd met vragen over het hoe en waarom van deze actie. Ook jongeren die zich tot dan toe afzijdig houden worden daardoor in de Molukse politieke situatie getrokken. De actiebereidheid onder de Molukse jeugd neemt alleen maar verder toe, deels aangemoedigd door het heldenonthaal dat de ‘groep Wassenaar’ ten deel valt bij terugkeer in de Molukse gemeenschappen.
De school in Bovensmilde nadat een tank door een muur reed. Foto: Nationaal Archief
Toenemende bewustwording van de Molukse identiteit onder jongeren
Studentenleider Elias Rinsampessy, opgegroeid in Kamp Schattenberg bij Hooghalen, herformuleert in de jaren 70 de RMS-ideologie. Hij roept juist op om de gewapende strijd niet in Nederland te voeren, maar in Indonesië. „We vonden dat mensen op de Molukken zouden moeten beslissen wat er moet gebeuren, niet de Molukkers in Nederland”, legt hij uit. „We hadden contact met de verzetsbeweging Fretilin dat op Oost-Timor streed voor onafhankelijkheid.”
Rinsampessy, tegenwoordig sociaal en cultureel antropoloog in Nijmegen, organiseert met medestudenten van de Nijmeegse universiteit de Pattimurascholing voor Molukse jongeren, genoemd naar kapitein Pattimura. „Uit heel Nederland kwamen jongeren op de scholing af. We gingen in discussie, vroegen ons af wat we moesten doen in Indonesië. We probeerden de Molukse jongeren zelf te laten nadenken. Dat waren ze van huis uit niet gewend. Daar was vaders wil wet, vanuit de traditie van het KNIL-leger. Je moest luisteren en tegenspraak werd niet geduld.”
De oude Molukse leiders zien deze studenten als een stelletje afvalligen en linkse elitaire dissidenten. Ze vormen een gevaar voor hun positie. „Je was voor of tegen RMS, een tussenweg was er niet. Ik heb in Assen kritiek geleverd op RMS-president Manusama, dat werd mij niet in dank afgenomen. Ik ben zelfs enkele keren bedreigd: in Nijverdal werd ik een huis uitgezet omdat Molukkers mij iets wilden aandoen. Op de viering van de proclamatie van de RMS in de Houtrusthallen in Den Haag hing een spandoek met de tekst in het Maleis: . Manusama nam het daar voor me op. ‘We moeten praten met de jongeren’ zei hij.”
De eerste treinkaping bij Wijster in 1975: de geweldsgrens schuift op, 3 doden
In 1975 sluiten Nederland en Indonesië het zogeheten Akkoord van Wassenaar, met daarin maatregelen om de relatie tussen Molukkers in Nederland en Indonesië te verbeteren. Het akkoord is een uitkomst van de gesprekken die op gang zijn gekomen na de gijzeling in de Indonesische ambassade in 1970. Het mag niet baten. De Molukse jeugd weet niets van het akkoord en is niet meer tegen te houden. Op 2 december 1975 trekken zeven jongens ter hoogte van Wijster aan de noodrem van de stoptrein Groningen-Zwolle. De eerste treinkaping van Nederland is een feit.
Aan het begin van de actie wordt machinist Hans Braam doodgeschoten. Een gebeurtenis met grote gevolgen: de geweldsgrens schuift op. Het doodschieten van gijzelaars is voor de Molukse groep op slag een optie geworden.
Als blijkt dat de Nederlandse overheid niet reageert op de eisen van de kapers, die willen dat Nederland de Molukse kwestie aan de orde stelt in de Verenigde Naties, bereiden ze een executie voor. Passagier Rob de Groot moet in de deuropening gaan staan en mag nog een schietgebedje doen. Hij grijpt zijn kans en weet uit de trein te springen. De kapers schieten en De Groot doet net of hij dood neervalt. Enkele minuten later rent hij zijn vrijheid tegemoet. Een bittere vrijheid, want in zijn plaats wordt de dienstplichtige soldaat Leo Bulter geëxecuteerd.
Treinkaping bij De Punt (12e dag); kaper loopt met vlag langs de trein. Foto: Nationaal Archief/Hans Peters
Treinkaping wordt ondersteund door gijzelingsactie in het Indonesische consulaat in Amsterdam, nog een dode
Twee dagen later, op 4 december, bezetten zeven Molukse jongeren uit Bovensmilde het Indonesische consulaat in Amsterdam. Achter deze gijzeling zat een duidelijke visie, vindt Noes Solisa. „Indonesië is onze vijand en daarop moet je je aandacht vestigen.”
Op 19 december komt zowel de treinkaping als de gijzeling op het consulaat ten einde. Dat kost in de hoofdstad en in Drenthe nog twee levens: Bert Bierling krijgt in de trein bij Wijster de kogel omdat Nederland een verklaring van de kapers weigert voor te lezen. In Amsterdam springt consulaatmedewerker E. Abédy bij een ontsnappingspoging uit een raam, maar raakt daarbij dodelijk gewond.
Woordvoerder Noes Solisa heeft het tijdens de gijzelingsacties in 1975 druk. Binnenlandse en buitenlandse media buitelen over hem heen. „Ik stond onder druk, binnen de Molukse gemeenschap had je zeer verschillende stromingen. Met name de radicalere stromingen wilden dat ik een meer radicaal verhaal naar buiten bracht. En vanuit de rest van Nederland voelde je de druk ook, er zijn doden gevallen. Maar ik bezweek niet en bleef bij mijn eigen verhaal.”
Een 23 jaar oude woordvoerder, laverend tussen de uiteenlopende meningen over de gijzelingen. Makkelijk was het niet, zegt Solisa. „Ik sliep nauwelijks, ben snel volwassen geworden in die periode. Maar ik heb mijzelf vanaf het begin opgelegd om trouw te zijn aan mijn idealen: een vrije RMS. Daar deed ik het voor, voor mijn ouders en de eerste generatie. Ik probeerde begrip te kweken voor de motieven van de jongeren, dat was mijn rol.”
Het vuur is niet gedoofd: in 1977 volgen gijzelingen bij De Punt en in Bovensmilde, 8 doden
Het radicale vuur onder jongeren is na Wijster niet gedoofd. Nederland blijft volgens hen met zoethoudertjes komen. Aanpassen aan Nederland of terugkeren naar Indonesië, dat zijn de opties. Voor de Molukkers: het opgeven van de eigenwaarde of vestigen in een land met onderdrukkend regime.
Op 23 mei 1977 kapen negen gewapende Molukkers opnieuw een trein, ditmaal bij De Punt. En net als in 1975 gaat de actie gepaard met een tweede gijzeling. In een lagere school in Bovensmilde houden vier jongeren ruim honderd kinderen en vijf leerkrachten vast. In de school, die grenst aan de Molukse wijk, vallen geen doden, maar bij de bevrijdingsactie van mariniers komen in de trein op 11 juni acht mensen om, van wie zes kapers.
Dominee Metiarij heeft de avond voor het met groot vertoon van macht beëindigen van de gijzelingen contact met dokter Hassan Tan. De huisarts is binnen de Molukse gemeenschap een vooraanstaand man. Samen met de weduwe Josina Soumokil is hij onderhandelaar tijdens de acties in 1977 en veel te vinden in het crisiscentrum in Den Haag. „Ik weet nog dat ik vader in de gang zag staan”, zegt Melie Lumalessil-Metiarij. „Hij zag er verslagen uit, dat was niets voor hem. Ik hoorde hem in het Maleis zeggen: ‘Kan er écht niets meer aan gedaan worden?’ Toen dacht ik, ja er staat iets te gebeuren.”
Door emotie overmand begeleiden de ouders van dit gegijzelde meisje hun dochter naar de vrijheid, nadat ze met 71 anderen ruim 28 uur door drie Zuidmolukkers in het Provinciehuis in Assen gegijzeld had gezeten. Foto: ANP
In 1978 volgt de laatste gewelddadige actie: 71 mensen gegijzeld in het Asser provinciehuis, 2 doden
Acht maanden na De Punt is de laatste gewelddadige actie. Drie Molukkers bezetten op 13 maart 1978 het provinciehuis in Assen en gijzelen 71 mensen. Planoloog Ko de Groot wordt doorgeschoten om de actie kracht bij te zetten. De volgende dag, wanneer de Molukkers op het punt staan twee gegijzelde gedeputeerden te executeren, valt de Bijzondere Bijstandseenheid het gebouw binnen en bevrijden de gegijzelden. Gedeputeerde Jacob Trip krijgt een kogel in zijn buik en overlijdt enkele weken later aan zijn verwondingen.
De woede tegenover de Nederlandse regering is eind jaren 70 onder Molukkers nog altijd groot, maar de jeugd ziet in dat het geweld hen geen steek dichter bij hun doelen heeft gebracht.
Toch houden de acties ook tegenwoordig nog veel mensen bezig. Bijna 24 jaar na de treinkaping bij De Punt lopen nog rechtszaken over de vermeende executies van de kapers, door de mariniers. De gijzelingen hebben grote littekens achtergelaten bij de gegijzelden en hun families. Gezinnen die mensen verloren door de acties, aan Nederlandse en Molukse zijde. Zoals de familie Lumalessil, van wie meerdere zonen deelnamen aan de acties. Ronnie liet het leven in de trein bij De Punt.
Melie Lumalessil-Metiarij: „Mijn schoonmoeder heeft het flink voor de kiezen gehad, vier van haar zoons deden mee aan de acties. Ze wilde er nooit over praten. Toen mijn man John uit de gevangenis kwam, zei hij tegen zijn broers: doe nergens aan mee, dit heeft geen zin. Probeer de diplomatieke weg te bewandelen. Het mocht niet baten. Mijn schoonmoeder sliep altijd met de met bloed besmeurde sweater van Ronnie onder haar kussen.”