Mellie Lumalessil-Metiarij met het portret van haar vader, de Molukse dominee Metiarij. Foto: Marcel Jurian de Jong
Vijftien jaar is Mellie Metiarij uit Assen bezig geweest met het schrijven van een boek over haar vader, wijlen dominee Samuel Metiarij. De man die landelijke bekendheid kreeg als bemiddelaar in de Molukse gijzelingsacties in de jaren zeventig. Hij was geestelijk én politiek leider.
Tientallen gesprekken voerde Mellie Lumalessil-Metiarij in al die jaren over haar vader, die 4 maart 2007 overleed. Met ooms, tantes, oud-bestuursleden van de Badan Persatuan, de Molukse eenheidspartij en mensen die op bijeenkomsten spontaan over de Molukse dominee begonnen te vertellen. ,,Ik heb het aantal gesprekken niet geteld, maar het waren er heel veel.”
Ook met de inmiddels overleden oud-premier Ruud Lubbers, met wie haar vader in 1986 het convenant Lubbers-Metiarij sloot. De militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) die in 1951 naar ons land waren gekomen, kregen een herdenkingspenning en een jaarlijkse uitkering van 2000 gulden. Verder moest er betere huisvesting en werkgelegenheid voor de Molukse bevolking in ons land komen. Het zogeheten duizendbanenplan rolde eruit voort. Ook kwam er een Moluks Historisch Museum, centraal gelegen in Utrecht.
Van al die gesprekken maakte Mellie Metiarij aantekeningen. ,,Ik had altijd een kladblok en pen bij me.” Dagen en vaak ook nachten werkte ze de aantekeningen uit. Voor dat ene doel, een boek over pa. De Gedwongen Reis komt 20 oktober uit.
Dominee Metiarij, de man die Nederland leerde kennen tijdens de Molukse acties in de jaren zeventig als actievoerder, maar ook als bemiddelaar tijdens de gijzelingen. Waarom een boek? ,,Vader heeft zoveel meegemaakt, maar dat is nergens beschreven. Wat hij heeft gedaan en meegemaakt staat symbool voor de Molukse bevolking, voor de kerk en voor de KNIL-soldaten in Nederland.”
Twee schriften
Een paar jaar voor zijn dood gaf Mellie haar vader twee schriften om zijn verhaal op te schrijven. ,,Hij was toen 84 jaar en vond het nooit zo belangrijk. Eén schrift voor zijn levensverhaal en één voor zijn gebeden die pa zelf schreef. Hij heeft alleen maar geschreven over zijn periode op de Molukken en de oorlog, verder kwam hij niet. Hij schreef geen letter over het verblijf in Nederland. Niet over Kamp Schattenberg, Assen of welk deel van Nederland dan ook.”
Samuel Metiarij werd op 13 april in 1917 geboren in Wari, op het eiland Halmahera in de Noord-Molukken. Zijn vader was zendingspredikant, die overal naartoe gezonden werd. Zijn ouders brachten hem naar familie in Porto op het eiland Saparua, waar hij de opleiding voor volksonderwijzer volgde. Hij wilde eigenlijk beroepsmilitair worden, maar dit mocht niet van zijn oma. Voetballer vond hij mooi, maar ook dat hield oma tegen. En helemaal niet op zondag. Toen hij toch een keer het voetbalveld opging, kreeg hij een schop tegen zijn arm en schoot die uit de kom.
Gevangen op Celebes
Nadat hij was geslaagd als onderwijzer werd hij door de dominee naar Makassar op Celebes, het huidige Sulawesi, gestuurd om de Normaalschool te volgen. ,,Ik twijfelde, maar mijn moeder moedigde mij aan en ik kon daar bij mijn oom Luc wonen”, schrijft Metiarij in het schrift.
Nadat Japan in de Tweede Wereldoorlog Nederlands-Indië was binnengevallen, werden de Molukse KNIL-militairen op Celebes gevangen genomen. Ongeveer duizend personen met hun vrouwen en kinderen kwamen terecht in kamp Pakatto, 24 kilometer van Makassar. Ze werden wreed en met veel geweld door de Japanners behandeld. Ook Metiarij belandde in het kamp, omdat de kerk- en de KNIL-leiding hem als leider, onderwijzer en als dominee hadden aangesteld, onder leiding van een Japanse professor.
Metiarij kreeg dagelijks van de Jappen te horen dat hij elk moment gedood kon worden. Vele beproevingen moesten de Molukkers doorstaan. Sommigen werden onthoofd of bezweken onder mishandelingen. ,,Pa probeerde samen met anderen de Jappen steeds tevreden te stellen. Zolang ze hun opdrachten uitvoerden, zouden ze niet worden gedood”, aldus Mellie in haar boek.
Rijst planten
De jonge dominee Metiarij richtte in het kamp de Molukse Christelijke Jongeren op. Dit werd een groot begrip en later ook in Nederland. De jongeren moesten naar de velden om rijst te leren planten en alles over de rijst te weten te komen. Een foefje om aan de Japanners te laten zien hoe handig en onmisbaar de Molukkers waren.
Tegen het einde van de oorlog gaven de Japanners het bevel dat alle mensen uit Pakatto lopend naar Bengo, vele kilometers verderop, moesten gaan. Zij liepen vijf dagen om er te komen. Metiarij liet de kerk verbranden zodat die niet voor verkeerde doeleinden werd gebruikt. ,,Toen wij in Bengo aankwamen zagen wij diep gegraven kuilen. De volgende dag vielen de Engelsen binnen en werden we bevrijd. Later hoorden we dat de Japanners ons wilden vermoorden en in de kuilen hadden willen gooien.”
Na de capitulatie werd een handtekeningactie gehouden onder KNIL-militairen in Pakatto en een verzoekschrift ingediend om Metiarij legerpredikant te maken. Dat lukte en hij werd in Makassar ingewijd.
Westerling
Na de capitulatie van de Japanners in 1945 wilde Nederland zijn gezag in Indië herstellen. Maar de Indonesische nationalisten wilden onafhankelijkheid. De politionele acties waren het gevolg. De Molukkers in het KNIL-leger vochten met de Nederlanders mee. Ze waren jong en niet bang om te vechten. Velen bekochten het met hun leven. Molukkers vochten ook aan de zijde van de omstreden kapitein Raymond Westerling met zijn Depot Speciale Troepen, een elite-eenheid van Nederlandse en inlandse soldaten die in het voormalige Indië flink huishield onder de bevolking, op zoek naar Indonesische nationalisten.
Metiarij heeft veel KNIL-soldaten begraven. Er waren geen kisten en ze werden met open militaire wagens vervoerd. De dominee ging voor in het gebed of hield een korte bidstond, afhankelijk van wat er mogelijk was.
Lot van KNIL-vrouwen
Mellie: ,,Pa was nooit thuis en ma zorgde alleen voor de kinderen. Dat was het lot van de vrouwen van KNIL-militairen. Ze stonden er alleen voor met hun grote gezinnen. De mannen waren op patrouille of aan het vechten en dienden op verschillende delen van de Molukken, maar ook op Celebes, Java, Timor, Borneo, Birma, Australië, Nederlands Nieuw-Guinea en de omliggende eilanden.”
Op 28 december 1949 werd Indonesië onafhankelijk en werd het KNIL opgeheven. De soldaten kregen de keuze gedemobiliseerd te worden of over te stappen naar het Indonesische leger. Beide opties waren voor de Molukkers niet aantrekkelijk en ze werden tijdelijk in het Nederlandse leger ondergebracht. Nadat Indonesië de eenheidsstaat uitriep en ook de Molukken claimde, werd als reactie op 25 april 1950 de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) uitgeroepen. De Molukse KNIL-soldaten wilden zich daarbij aansluiten. Nederland wilde de jonge betrekkingen met de voormalige kolonie niet verstoren en stond de wens van de Molukse militairen niet toe. Op gezag van de regering werden 12.500 KNIL-militairen en hun gezinnen in 1951, nu zeventig jaar geleden, met schepen naar Nederland. Met de belofte dat het verblijf zes maanden zou zijn. Op de boot kregen de KNIL-militairen ontslag aangezegd.
Naar Schattenberg
Het gezin Metiarij kwam vanuit Jakarta in Rotterdam aan. Na een tbc-check in Amersfoort werden ze naar Kamp Schattenberg gebracht, het voormalige doorgangskamp Westerbork. De Molukkers kregen onderdak in de barakken waar de Joden in de oorlog werden vastgehouden. De barakken droegen nog dezelfde nummers. De familie van dominee Metiarij kwam in barak 47 terecht.
In de beginjaren in Nederland preekte Metiarij in de verschillende Molukse woonoorden, tot in Zeeland aan toe. Hij sprak op bruiloften en ging voor bij begrafenissen. Er kwamen verschillende politieke organisaties in Schattenberg bijeen en ze gingen later op in de Badan Persatuan, de Molukse Eenheidspartij. Metiarij werd in 1966 tot voorzitter gekozen. Hij was behalve geestelijk leider, ook politiek leider.
Zijn volk in ballingschap te leiden
Kerk en politiek waren sterk met elkaar verbonden in de Molukse gemeenschap. Mellie Metiarij schrijft: ,,Ik denk dat pa daarom geen van beide wilde loslaten toen hij in Nederland was. Zijn kerkenraad en gemeenteleden bestonden grotendeels uit mensen van het KNIL. Pa voelde zich verantwoordelijk voor hen en vond dat hij een opdracht had. Hij moest alle moeite doen zijn volk in ballingschap te leiden, zodat het kon terugreizen naar een vrij vaderland. Onze hoop was gevestigd op de Nederlandse regering.”
Die hoop werd elke keer de bodem ingeslagen. De onvrede daarover kwam tot uiting in de jaren zeventig. Het begon vreedzaam met demonstraties, hongerstakingen, sit-downacties en de actie ‘Geef ons de vijf’, een oproep voor Nederlanders om de Molukkers de hand te reiken en te ondersteunen. Metiarij organiseerde een mars van Assen naar De Haag en liep met een groot kruis in de hand voorop. Jaarlijks was er de herdenking van de proclamatie van de Republik Maluku Selatan (RMS) en kwamen bussen vol Molukkers op 25 april naar Den Haag.
Harde acties
De acties verhardden toen de Indonesische president Soeharto in 1970 naar Nederland kwam. Ruim dertig Molukse jongeren bezetten met geweld de ambtswoning van de Indonesische ambassadeur in Wassenaar, waarbij een politieman om het leven kwam. In december 1975 volgden de treinkaping bij Wijster en de gijzelingsactie in het Indonesisch consulaat in Amsterdam. In mei 1977 waren er de treinkaping in De Punt en de gijzeling van kinderen in de school in Bovensmilde. De laatste gewelddadige actie was maart 1978, de gijzelingsactie in het provinciehuis in Assen.
De actievoerders waren voor het overgrote deel catechisanten van dominee Metiarij. Hij trad ook meerdere keren op als bemiddelaar. Dochter Mellie daarover: ‘’Ik sprak met jongeren die geen vlieg kwaad deden, maar later toch aan de acties deelnamen. Zij vertelden dat zij zich zo radeloos voelden en het hartverscheurend vonden om te zien dat hun vaders nog steeds visnetten voor de terugkeer naar de Molukken aan het haken waren. Voor mijn vaders gevoel waren zijn jongens net als hij slachtoffer van het chronische onbegrip van de Nederlandse regering voor het RMS-ideaal. Het is hem niet altijd gelukt mensen bij elkaar te brengen. Het werd hem vaak aangerekend dat de Molukkers nog steeds in Nederland verbleven. Maar zijn grote verdienste is zijn rotsvaste geloof in de RMS.”
BVD en contacten trainingskamp
Drie jaar geleden onthulde Dagblad van het Noorden dat Metiarij volgens een medewerker van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (de voorloper van de AIVD) voor de gijzeling in 1977 contact had met kapitein Raymond Westerling om Molukse jongeren militair te trainen in Vietnam. Westerling, die de Molukkers goedgezind was, zou daarbij een flinke som geld hebben gekregen van Metiarij. Van een trainingskamp bleek geen sprake en het geld was weg. Metiarij zou een rad voor ogen zijn gedraaid, zo stond in een regeringsbrief. Uit frustratie zou de trein bij De Punt zijn gekaapt en de school in Bovensmilde zijn bezet. In Molukse kring wordt dit ontkend.
Samuel Metiarij heeft hij zijn vaderland na 1951 niet meer gezien. Twee keer kreeg hij de kans, maar hij ging niet. Mellie: ,,Door zijn politieke betrokkenheid vonden mijn moeder en wij als kinderen het niet veilig. Daar legde hij zich bij neer. Een andere reden was zijn schamele salaris als predikant.”
Op 82-jarige leeftijd stopte Metiarij als predikant. Op 4 maart 2007 begon hij zijn laatste reis, naar zijn eeuwige vaderland.
Molukse vlag
Mellie Metiary hoopt dat haar boek de lezer en volgende Molukse generaties sterkt om strijd te blijven voeren voor onafhankelijkheid van de Molukken. Of die Vrije Republiek der Zuid-Molukken er na 70 jaar komt, is zeer de vraag. ,,Ik hoop dat mensen daar de Molukse vlag kunnen uithangen zonder mishandeld te worden en jarenlang in de gevangenis te moeten zitten. Als premier Rutte dat eens voor elkaar kan krijgen.”
Strenge vader en sterke persoonlijkheid
Voor zijn gezin was dominee Metiarij een strenge, maar rechtvaardige man, aldus dochter Mellie. ,,Hij was een Molukker en die uit zich nooit zoveel. Als er iets werd uitgelegd, gebeurde dat niet met al te veel woorden. Thuis sprak mijn vader vooral met zijn ogen. De manier waarop hij zweeg sprak boekdelen. Als kinderen vonden wij pa nogal overheersend. Wij waren het met bepaalde dingen oneens, maar hij was een man die geen tegenspraak duldde.”
„Pa sprak buitenshuis veel met andere mensen. Hij had een sterke persoonlijkheid en kon mensen gemakkelijk overhalen zijn mening te delen. Ik heb genoeg momenten gehad dat ik het maar tien keer niks vond, die strenge vader. Op zulke momenten vond ik hem onredelijk. In mijn pubertijd kon ik dat heel slecht accepteren. Elke keer maar die ander en nog eens die ander, waar hij zoveel aandacht aan gaf. Naarmate ik ouder werd, leerde ik pa steeds meer te respecteren en te waarderen. Met name door zijn werk.”