Sonja van der Meer en Bas Morsink bij de pastorie van de grote kerk. Foto: Rens Hooyenga
De verwachtingen zijn hooggespannen als de Nieuwe Rentmeester in juli 2021 eigenaar wordt van een groot deel van het monumentale gevangenisdorp Veenhuizen. Daarna is het anderhalf jaar lang ogenschijnlijk stil.
Gaat er met de komst van een nieuwe huisbaas dan eindelijk, na al die jaren van stilstand, weer wat gebeuren? In dit dubbelinterview reflecteren directeur Sonja van der Meer van Het Drentse Landschap en directeur van de Nieuwe Rentmeester (dNR) Bas Morsink op de afgelopen periode en blikken ze vooruit.
De Nieuwe Rentmeester is een stichting onder de hoede van Het Drentse Landschap en BOEi. Deze bestaande organisaties wonnen gezamenlijk de aanbesteding van het Rijk en richtten een nieuwe stichting die zich bezighoudt met de dagelijkse gang van zaken in Veenhuizen. BOEi en Het Drentse Landschap vormen het bestuur van de stichting en staan er financieel garant voor. Bas Morsink is sinds 1 januari 2023 directeur van de Nieuwe Rentmeester. Van der Meer hield zich intensief bezig met het aanbestedingstraject.
Het bezit van dNR is divers en varieert van woningen tot kerken, het Nationaal Gevangenismuseum, aardappelloodsen, een hotel, bierbrouwerij en zelfs een gracht.
Hoe gaat het met de Nieuwe Rentmeester?
Morsink: „We hebben redelijk goed in beeld wat van ons is en wat de staat ervan is. Dat betekent niet dat alles is opgelost, maar we gaan nu van pleisters plakken en noodverbandjes aanleggen naar planmatig onderhoud. Om die stap volledig te maken hebben we denk ik nog een of twee jaar nodig. Niet alles kan in een keer.” Van der Meer: „We hebben ook steeds gezegd: het kost ons drie tot vijf jaar om de boel op orde te krijgen, te zorgen dat we een stabiele organisatie zijn. Die tijd wordt je vaak door de buitenwereld niet gegund.”
Wat is er de afgelopen tijd gebeurd?
„Ik heb mijn eerste half jaar heel veel gesprekken gevoerd met bestaande en potentiële huurders”, schetst Morsink. „Vanaf 1 augustus verhuren we het Gestichtswachtgebouw, daar verhuizen we zelf ook naartoe. De marechausseekazerne ernaast is een soort ondernemerskwartier geworden, met allemaal kleinere ondernemers. Dat was al zo, maar ze huurden op anti-kraakbasis. Dat hebben we nu geformaliseerd. We zijn ook bezig met een nieuwe invulling voor de pastorie bij de kerk. Daarvoor heeft zich een geïnteresseerde partij gemeld. We willen ook inzetten op de toeristische versterking van Veenhuizen.”
De marechausseekazerne, waar veel kleine lokale ondernemers een kantoor huren. Foto: Rens Hooyenga
Wat houdt dat in?
„Het ambachtscluster naast het Nationaal Gevangenismuseum is nu heel rommelig. Terwijl veel bezoekers daar het dorp binnenkomen. We zijn met de huidige huurders in gesprek en hebben veel lopende contracten opgezegd. Niet per se om de mensen daar weg te krijgen, maar de bestaande contracten waren voor ons erg ongunstig. We zoeken initiatieven die het gevangenismuseum en de andere ondernemingen in het dorp verder versterken, die toekomstperspectief hebben. Zodat we een constante stroom van bezoekers krijgen die verrast worden door het aanbod.”
Geschiedenis Veenhuizen
Veenhuizen wordt in 1823 gesticht door generaal Johannes van den Bosch. Hij wil in het afgelegen dorpje, waar dan enkele boerderijen staan, wezen en andere ontheemden opvangen. In het dorp, dat onderdeel wordt van de Koloniën van Weldadigheid, verrijzen drie gestichten.
Van de ideële stichtingsgedachte blijft door een samenloop van omstandigheden weinig over. De weeshuizen sturen te weinig mensen, het land blijkt veel onvruchtbaarder dan gedacht en oogsten mislukken. In plaats van een bijna kostenneutrale oplossing voor het armoedeprobleem moet het Rijk veel geld bijleggen.
In 1859 neemt de staat de voormalige strafkoloniën over van de bijna failliete Maatschappij van Weldadigheid. De gestichten in Veenhuizen worden Rijkswerkinrichtingen en later gevangenissen. In het dorp woont uitsluitend gevangenispersoneel en Veenhuizen is hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Dat verandert pas in de jaren 80 van de vorige eeuw.
Het Rijksvastgoedbedrijf bezit naast de gevangenissen veel woonhuizen, maar ook kerken en ander vastgoed. Daar wil zij vanaf. In en om het dorp is de grote vrees dat projectontwikkelaars gebouwen kunnen opkopen om het commercieel te exploiteren. Dat zou de bijzondere geschiedenis van het dorp tekortdoen. Het Rijksvastgoedbedrijf bepaalt daarom dat het hele ‘ensemble Veenhuizen’ aan één partij wordt overgedaan.
Drie samenwerkende partijen (Het Drentse Landschap, BOEi en de Nationale Monumentenorganisatie - de laatste organisatie heeft alleen een adviesrol) presenteren zich al in 2016 als geïnteresseerde partij, die bovendien kan rekenen op de steun van gemeente en provincie. Omwille van de aangescherpte regels over staatssteun moet het Rijksvastgoedbedrijf het Veenhuizer vastgoed openbaar aanbesteden. Dat gebeurt eind 2019. In april 2021, kort voordat het dorp ook de status van Unesco Werelderfgoed krijgt, wordt bekend dat dNR de nieuwe eigenaar is.
Hoe gaan jullie eigenlijk te werk, hebben inwoners op enige manier inspraak?
„We werken met een kansenkaart. Dat is een soort uitvoeringsplan voor de eerste vijf jaar met een langere doorkijk. De kaart is de afgelopen tijd opgesteld in samenwerking met bewoners en ondernemers. Het lastige is dat je nooit precies weet in welk tempo je wat kunt gaan herbestemmen. We doen met de stichting twee dingen: aan de ene kant het verhaal van Veenhuizen naar de toekomst toe vertalen en aan de andere kant ons vastgoed verbeteren en herbestemmen. Dat gebeurt allemaal tegelijkertijd.”
In en om het dorp klinkt wel eens wat gemopper over het gebrek aan snelheid.
Sonja van der Meer: „In het tenderproces hebben we verkend hoe het dorp erbij ligt en we hadden toegang tot een aantal gebouwen, maar je hebt eigenlijk geen flauw benul waar je precies aan begint. Maar ja, dan krijg je een bos met sleutels en begint het echte werk en heb je de verantwoordelijkheid voor ruim tachtig gebouwen. Dan zie je dat het Rijksvastgoedbedrijf toch een aantal jaren vrij slecht onderhoud heeft gepleegd, zowel aan de gebouwen als in de groenvoorziening.” Morsink: „dNR heeft in het eerste jaar heel veel moeten redden. We lopen dat nu een beetje in.”
De Nieuwe Rentmeester hoopt snel nieuwe invulling te vinden voor de voormalige pastorie. Foto: Rens Hooyenga
Waar doel je op?
„Alleen al de elektriciteitsvoorziening. In sommige panden zitten heel veel huurders, maar heb je geen idee hoe dat in elkaar steekt, waar de meters zitten en wie alle leveranciers van stroom en gas zijn. We bleken verantwoordelijk voor de energierekening van best veel panden. Dan sta je plotseling voor hoge lasten waar je geen rekening mee hebt gehouden.” Van der Meer: „Ik had een collega gevraagd een ronde langs het groen te maken. Die schrok zich helemaal dood. Dus die heeft heel snel een aantal bomen weg moeten halen, dat is net op tijd geweest. En mensen belden constant met problemen zoals bijvoorbeeld een kapotte cv-ketel. Het was echt brandjes blussen.”
Hoe troffen jullie het dorp aan?
Van der Meer: „Er is niet goed voor gezorgd. Dat wil ik heel duidelijk zeggen. Het is echt achteruit gegaan in de periode dat het Rijk besloot om het te vervreemden. Dan heb je het toch wel over een periode van zes, zeven jaar. Als je niks aan onderhoud doet, moet je veel investeren om het weer op niveau te krijgen. Daar hebben wij bij een aantal objecten echt last van.” Morsink: „Er was geen regie. Dan gaat iedereen zich terugtrekken en krijg je een heel gesloten samenleving. We hebben geluk dat er nu op een aantal plekken nieuwe mensen zitten met veel energie. Het breekt open, waarbij iedereen een positief ‘voorwaarts-gevoel’ heeft.”
Begrijpen jullie de hoge verwachtingen?
Van der Meer: „Ik vind het logisch. Ik zou zelf ook zo denken. Er is een consortium, die hebben plannen. Dat is ook zo, maar dat zijn plannen die aan de tekentafel zijn bedacht. Veel mensen denken ook dat we een zak geld mee hebben gekregen. Nee dus. We hebben het gekregen zoals het erbij ligt, zonder financiële middelen. We hebben de Nieuwe Rentmeester opgericht omdat we als Het Drentse Landschap de risico’s wilden beperken, maar ook omdat het belangrijk is dat hier een nieuw gezicht komt. Je moet dichtbij en benaderbaar zijn.”
Wat zijn voor jullie de grootste uitdagingen de komende tijd?
Van der Meer: „Voordat wij kwamen zat hier het ontwikkelingsbureau, een samenwerkingsverband van gemeente, provincie en Rijk. Toen wij kwamen is dat vrij ad-hoc gestopt, maar wij hebben die overheden hard nodig om verder te kunnen. Ik zeg niet dat het ontwikkelingsbureau terug moet komen, maar we moeten wel samenwerken.”
Morsink: „We hebben elk soort huurcontract dat je kan bedenken, van ‘wij doen helemaal niks’ tot ‘wij doen alles voor u’. Sommige huurders betalen vrijwel geen huur, anderen betalen wel een fatsoenlijk bedrag. Dat maakt het best lastig om de regie terug te pakken. Dat proberen we nu en daarbij is het belangrijk dat je vertrouwen opbouwt en herkenbaar bent.”
dNR schreef afgelopen jaar ruim een ton in het rood. Hebben jullie zorgen over de financiën?
Van der Meer: „We hebben van tevoren berekend wat de huurinkomsten waren en de onderhoudslast. We berekenden dat als we niks zouden doen, we de boel draaiende zouden kunnen houden met de huuropbrengsten. Dat bleek in de praktijk anders. Zo hadden wij er geen rekening mee gehouden dat sommige huurders niet zelf verantwoordelijk zouden zijn voor de gas- en lichtrekening. Een tegenvaller, maar dan heb je toch de mazzel dat we heel low profile zijn begonnen. We hebben niet veel investeringen gedaan en echt gedacht: we moeten de eerste twee jaar heel voorzichtig zijn met onze uitgaven.”
„Zorgen maken we ons niet. Waar nodig maken we gebruik van een lening van Het Drentse Landschap en BOEi. We gaan ervan uit dat we over tien jaar de eigen broek goed kunnen ophouden, maar dat is afhankelijk van veel factoren. Als de panden straks op niveau zijn kun je een marktconforme huur vragen. De provincie is nu bezig met een lobby voor een landelijke subsidiemogelijkheid die de renovatie van een aantal panden tegelijk zou kunnen dekken. Dat zou ons echt helpen. De middelen die wij voor beheer en onderhoud nodig hebben stoppen we nu nog heel vaak in zorgen dat een pand niet verder achteruitgaat.”
Is er eigenlijk animo voor de gebouwen die jullie te huur aanbieden? En is verkoop van gebouwen nog een optie?
„In de basis verkopen we niks, we willen alles bij elkaar houden dus we zijn daar heel terughoudend mee. Er zijn wel een paar objecten die geen waarde hebben, die alleen maar een last zijn. Daar maken we nu een lijst van. De meest belangrijke is de Vlinderhof, de oude school. Die ontwikkelen vinden we niet onze primaire opgave. We zijn nu met de gemeente in gesprek om de school leeg op te leveren en samen een ontwikkelaar te vinden.”
„Het directiehotel hebben we verhuurd aan een bedrijf voor innovatieve toepassingen op het gebied van recyclebaar kunststof. Dat past mooi in het circulaire gedachtegoed van Veenhuizen. We zijn aan het kijken of we de gebouwen die ernaast staan in die sfeer kunnen door ontwikkelen. Het is hier geen Amsterdam, daar ben je zulke panden morgen kwijt. Bovendien vinden we dat bedrijven die zich hier vestigen iets moeten toevoegen aan het gedachtegoed.”
Wat heeft Veenhuizen op korte termijn het hardst nodig?
Morsink: „De entree moet veel beter. Dat mensen het dorp binnenrijden en meteen voelen dat ze in een Unesco-dorp zijn, waar meer is dan alleen het Gevangenismuseum. Daar wordt op dit moment niet aan voldaan. Ik denk dat we binnen twee jaar het historisch deel beter neer moeten zetten qua ontsluiting, routes en de programmering. De Nieuwe Rentmeester neemt daarin graag de regie.”
Van der Meer: „Het komt wel goed met Veenhuizen. Die garantie kunnen wij nu wel geven. Maar het duurt wel een paar jaar. Dat vind ik niet erg: wij zijn opgericht voor de eeuwigheid.”