Hanneke Boonstra uit Groningen (r) schreef een boek over de in Nijehaske geboren kunstschilder Anne Marie Blaupot ten Cate. Foto: Corné Sparidaens
Met het boek Anne Marie Blaupot ten Cate - Een onstuimig leven ontrukt schrijver Hanneke Boonstra uit Groningen deze in Nijehaske geboren kunstschilder aan de vergetelheid. „Wat ze ook meemaakt, ze krabbelt altijd weer op.”
Het boek is zaterdag gepresenteerd in Museum Belvédère in Oranjewoud. Daar is ook een bescheiden expositie ingericht. „Misschien”, twijfelt schrijver Hanneke Boonstra (74) hardop, „wordt dit wel mijn laatste boek.” De woonkamer in haar huis aan de Groninger Turftorenstraat ademt liefde voor kunst met bijzondere objecten: van artistieke lampen en vazen tot grillige kandelaars en guitige badeendjes. Sinds kort hangt er ook een stilleven met appels (1922) van de hand van Blaupot ten Cate. Zonder titel. „Daar deed ze niet aan”, stelt Boonstra.
De afgelopen jaren staat alles voor de schrijver in het teken van de verhalen die ze verzamelt over de eigenzinnige kunstschilder. Zelf spreekt ze van biografische schetsen. „Zo’n boek slorpt je gewoon helemaal op. Ik ben alleen maar met háár bezig geweest. Er zijn nog zo veel andere leuke dingen om te doen. Reizen, film, theater, boeken lezen. Dat schiet er vaak bij in.”
Ter inspiratie voor de schrijver
Zelf hoort Boonstra een jaar of drie geleden, in januari 2023, voor het eerst van de schilder. Dan schuift de oud-hoofdredacteur van uitgeverij Contact, Harko Keijzer, een plastic mapje met wat foto’s van schilderijen Blaupot ten Cate onder Boonstra’s neus. Ter inspiratie voor de schrijver. Er zitten ook nog een cv en een krantenartikel in. „Kijk maar of je het wat vindt”, zegt hij.
„Mijn tweede boek, Kees & Jan, is dan net klaar”, herinnert Boonstra zich. „Ik heb vervolgens echt nog wel een paar maanden nodig om mijn hoofd helemaal leeg te maken en me open te stellen voor een nieuw onderwerp, maar sindsdien is mijn fascinatie voor haar alleen maar gegroeid.”
‘Dromerige, maar afstandelijke blik’
De kwaliteit van het werk van Blaupot ten Cate spreekt de Groningse bijzonder aan. De schrijfster wijst op het zelfportret uit 1927 dat ook de voorpagina van het boek siert. „Kijk eens naar die dromerige, maar afstandelijke blik. En naar dat bijzondere kleurgebruik. Rood, blauw en geel. De kleuren van Mondriaan. Ze ogen transparant, alsof je er doorheen kunt kijken.”
Boonstra besluit in juni 2023 een Fries museum te bezoeken omdat de schilder in Nijehaske is geboren. Ze belandt in Museum Belvédère. Daar hebben ze één schilderij van Blaupot ten Cate in de collectie: Twee vrouwen in Parijs (1927), olieverf op doek.
Parijse leermeester
„Het is qua stijl een beetje kubistisch”, legt Boonstra uit. „Dat is de invloed van haar leermeester, de Parijse kunstschilder en beeldhouwer André Lothe.”Boonstra raakt in gesprek met Han Steenbruggen, directeur-conservator van Belvédère. Ze kent hem uit de tijd dat hij conservator van het Groninger Museum is.
Hij vertelt dat Susan van den Berg, voormalig conservator van Belvédère, eerder ook al bezig is geweest met de voorbereiding van een expositie over Blaupot ten Cate, maar aan dat werk komt een einde door haar plotselinge overlijden op 6 februari 2023.
„Toen heeft Han het maar even laten liggen”, gaat Boonstra verder, „totdat ik dus in juni 2023 met mijn laptopje binnenkwam.” Waar Van den Berg zich vooral richt op de betekenis van de schilder voor de kunst, legt Boonstra in haar boek de klemtoon op de persoon en haar tumultueuze leven.
Een vrij zakelijke opsomming
De schrijver heeft bij haar onderzoek veel aan het levensverhaal dat de kunstschilder zelf eind jaren vijftig al optekent. Een vrij zakelijke opsomming zonder al te diepe zielenroerselen. Kort en krachtig, aldus Boonstra. Ze treft het aan in het famile-archief dat wordt beheerd door Ernst Storm, zoon van de zus van Anne Marie. Hij beschikt over de nodige schilderijen en twee kisten met relevante documenten zoals door Blaupot ten Cate geschreven brieven, medische dossiers, een paspoort en krantenknipsels.
„Aanvankelijk proef ik nog wel wat irritatie bij de familie”, staat Boonstra nog bij. „Als wildvreemde bestormde ik hen met mailtjes en telefoontjes. Ik kan me voorstellen dat ze daar in eerste instantie niet zo’n zin in hadden, maar het is allemaal goed gekomen. Ze hebben niets voor me achtergehouden.”
Steun van haar ouders
Anne Marie ziet op 13 augustus 1902 het levenslicht in een gebied wat nu Nijehaske, maar al snel verhuist het gezin naar Arnhem waar het meisje opgroeit en nog drie zusjes en een broertje krijgt. Haar vader en moeder – afkomstig uit respectievelijk Groningen en Winschoten – steunen hun dochter van jongs af aan in haar artistieke ontwikkeling. De impressionist Jacob Hendrik Geerlings geeft het kind bijvoorbeeld teken- en schilderles. In Arnhem gaat ze naar de hbs. Ook de later wereldberoemde Maurits Cornelis Escher, geboren in Leeuwarden, zit op die school.
„Anne Marie komt ook uit een zeer kunstzinnige familie”, concludeert Boonstra. Oud-tante Sientje Mesdag-van Houten en haar man Hendrik Willem Mesdag (bekend van Panorama Mesdag) zijn bij leven al gewaardeerde kunstschilders. Ook achternicht Barbara van Houten is een verdienstelijk kunstschilder en achterneef Gerrit van Houten blijkt eveneens een schildertalent, maar hij kampt met schizofrenie en eindigt in een psychiatrisch ziekenhuis.
Te weinig vrijheid
Opleidingen aan de kunstacademies in Den Haag en Amsterdam breekt de jonge student voortijdig af omdat ze vindt dat ze te weinig vrijheid krijgt om op haar eigen manier te schilderen. Die vrijheid vindt ze, net als veel andere kunstschilders, wel in Parijs tussen 1924 en 1929. Daar studeert ze onder andere aan de progressieve Academie André Lhote net als de uit Leeuwarden afkomstige beeldend kunstenaar Jeanne Bieruma Oosting.
In 1928 krijgt ze op 26-jarige leeftijd haar eerste solotentoonstelling in de Parijse Galerie Alice Manteau. In dat zelfde jaar doet ze mee aan een groepstentoonstelling in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Intussen raakt ze onder andere bevriend met de Friese schilder Tjerk Bottema en zijn beroemde collega Piet Mondriaan.
‘Ze is duidelijk niet bang’
Boonstra omschrijft haar hoofdpersoon als eigenzinnig, avontuurlijk, erg kritisch op eigen werk – „ze kan zomaar een schilderij weggooien als ze het niet mooi vindt” – en ook wel een einzelgänger. De kunstenaar woont en werkt onder meer in Nederlands-Indië, Marokko, Zwitserland, India, Nepal, Frankrijk en op Ibiza. „Ze gaat overal alleen op af, begint steeds weer opnieuw en is duidelijk niet bang.”
Overal maakt ze nieuwe vrienden en heeft ze, zo ontdekt Boonstra, amoureuze relaties met bijzondere mannen, zoals de Duitse cultuurfilosoof Walter Benjamin. „Hij wil wel verder met haar. Zij niet met hem. Bij het idee alleen al krijgt ze het Spaans benauwd. Haar beide huwelijken duren ook relatief kort: twee en drie jaar.”
Vrij en onafhankelijk
„Anne Marie wil vooral vrij en onafhankelijk blijven. Ze lijkt in zekere zin rusteloos in reizen, relaties en werk. Van het ene op het andere moment kan ze weg zijn. Vreemd. Of laat ik het anders zeggen: bijzonder. Als ze in Marokko zit, wil ze naar Nederlands-Indië en andersom bij wijze van spreken. Het gevolg van haar reislust, is in ieder geval wel dat haar werken – zo’n vierhonderd in totaal – in alle hoeken en gaten van de wereld opduiken. Ook is ze daardoor niet zo bekend geworden.”
De kunstschilder is duidelijk niet star, maar staat, aldus de schrijver, steeds open voor nieuwe invloeden. „In de jaren vijftig gaat ze meer vanuit haar intuïtie werken en kiest voor vaker voor abstract in plaats van figuratief. Ook richt ze zich min of meer noodgedwongen op textiele kunstvormen. „Tekenen en schilderen gaat minder goed omdat ze last heeft van trillende handen.”
Psychische problemen
Op een bepaalde manier is ze ook eenzaam, denkt de schrijver. „Dat lees ik terug in haar brieven, niet heel nadrukkelijk, maar tussen de regels door.” Net als neef Gerrit heeft ook Anne Marie psychische problemen. Ze kampt een groot deel van haar leven met psychoses. Op 23 december 1939 wordt ze zelfs 37 dagen opgesloten in een cel van een krankzinnigengesticht in het toenmalige Nederlands-Indië (Bali).
Dit gebeurt nadat ze tijdens een etentje ineens in een psychose raakt, vervolgens een bediende krabt, de gastvrouw een glas uit handen slaat en probeert een karaf omver te gooien. Boonstra wijst er op dat er destijds nog geen passende medicatie beschikbaar is „Anne Marie beseft dat haar gedrag tijdens psychoses niet normaal is, maar is er tegelijkertijd heel relativerend over. Een beetje Vincent van Gogh dus eigenlijk.”
Rosa Spier Huis
Daarna pakt ze haar leven weer op alsof er niets gebeurd is. Het toont hoe enorm weerbaar ze is, vindt Boonstra. „Wat ze ook meemaakt, ze krabbelt altijd weer op en dat vind ik best knap.” Later in haar leven, vanaf de jaren zestig, heeft de schilder bijna geen last meer van psychoses. Haar laatste expositie beleeft Blaupot ten Cate op 85-jarige leeftijd in het Rosa Spier Huis in Laren. Daar verblijft vanaf 1985 tot haar dood in 2002. Haar honderdste verjaardag haalt ze net niet.
Niet alle vragen heeft Boonstra in dit boek kunnen beantwoorden, maar dat pretendeert ze ook niet. „Ik ken haar inmiddels een beetje en ben, voor mijn gevoel, redelijk dichtbij gekomen, maar waar bijvoorbeeld die voortdurende onrust vandaan komt, heb ik niet kunnen achterhalen. Ik heb het haar zelf ook nooit kunnen vragen en over haar jeugdjaren is heel weinig bekend. Maar goed, een beetje mysterie kan geen kwaad. In ieder geval is het een bijzonder mens geweest, wat mij betreft zeer de moeite waard om opnieuw kennis mee te maken.”
Boek en expositie
De expositie Anne Marie Blaupot ten Cate – Een klein overzicht in Museum Belvédère in Oranjewoud opent zaterdag 21 februari en is tot en met 7 juni te bezichtigen.
Boekomslag 'Anne Marie Blaupot ten Cate – Een onstuimig leven'. Beeld: Waanders Uitgevers
Boek Anne Marie Blaupot ten Cate – Een onstuimig leven