Johan Dijkstra, Zichter, collectie Stichting De Ploeg, bruikleen Groninger Museum. Foto: Marten de Leeuw
Hoe Van Gogh naar Groningen kwam: Nou, hij kwam zelf niet, maar zijn kunst bracht heel wat teweeg. Een clubje studenten fikste 128 jaar geleden even een expositie met liefst 128 werken: de grootste Van Gogh-tentoonstelling tot dan toe.
Hoe zou het zijn om door een serie Van Goghs te bladeren? Dat is nu te ervaren in het Groninger Museum. Daar staan bakken vol replica’s van schilderijen van Vincent van Gogh (1853-1890), waar je doorheen kunt struinen. Zonnebloemen, een veld met kraaien, de bekende slaapkamer, een sterrennacht, noem maar op.
Ongelofelijk moet het geweest zijn om in het écht zoveel nu beroemde kunstwerken langs je vingers te laten gaan. Bijna 130 jaar geleden doet kunstenaar Johan Thorn Prikker iets dergelijks, wanneer hij meer dan honderd schilderijen selecteert bij de vrouw van Vincents broer Theo, Johanna van Gogh-Bongers. Na het overlijden van Vincent en een half jaar later van Theo beheert Van Gogh-Bongers de kunstwerken en probeert zij ze onder de aandacht brengen. De selectie is bedoeld voor een expositie, georganiseerd door een groepje studenten. Hoe dat tot stand is gekomen en wat voor impact en gevolgen het heeft gehad, is nu te zien in de tentoonstelling Hoe Van Gogh naar Groningen kwam.
Henk Melgers. Zelfportret. 1923, collectie Stichting De Ploeg, bruikleen Groninger Museum. Foto: Groninger Museum
Bloeiende stad Groningen
Aan het eind van de 19de eeuw maakt Groningen een groeifase door. Er komt een nieuw ziekenhuis, de universiteit breidt uit, in 1894 opent het nieuwe Museum voor Oudheden (nu onderdeel van Minerva) en in 1895 opent het nieuwe station. Groningen wordt een knooppunt in het Noorden en transformeert tot een moderne stad. Aan het begin van de tentoonstelling schetsen werken van Isaac Israëls, H.W. Mesdag en Bernardus Bueninck de levendige sfeer van die tijd: er is elektriciteit en straatverlichting, er rijden trams en er is handel op de Grote Markt en in de havens.
Isaac Israëls, Vrouw op balkon, z.j., Groninger Museum. Foto: Groninger Museum
Die bloeiperiode geeft ook ruimte aan kunst en cultuur. Een hoogleraar als Gerard Heymans laat aan het Verbindingskanaal een bijzonder huis ontwerpen door H.P. Berlage. In de stad verrijzen meer opvallende gebouwen, gelieerd aan de universiteit en haar docenten. En er is een zestal studenten, dat gegrepen is door moderne kunst. Een van hen is Johan Huizinga (1872-1945), later bekend als cultuurhistoricus en hoogleraar. Rond zijn 20ste is hij al betrokken bij Pictura, die elke drie jaar exposities van ‘levende Nederlandsche meesters’ organiseert. Dat is wel eigentijdse kunst, maar toch met een behoudend karakter.
Allernieuwste kunst
Het is onduidelijk waarom Huizinga in 1895 niet meer in de commissie van Pictura zit. Maar aan het eind van datzelfde jaar verschijnt een nieuwsbericht, dat een groepje studenten tentoonstellingen voorbereidt met vooruitstrevende kunst. Het vriendenclubje heeft grote belangstelling voor de ‘allernieuwste’ werken. Onder hen is Willem Leuring, die eerst in Leiden studeerde. Daar heeft hij contacten opgebouwd met verschillende kunstenaars. Via hem ziet het groepje mogelijkheden tentoonstellingen te organiseren.
Vincent van Gogh, Tuin te Arles, 1888, Kunstmuseum Den Haag (voorheen collectie Jan Willem Moll, professor Botanie en ook rector aan de Rijksuniversiteit Groningen). Foto: Kunstmuseum Den Haag
Half december tonen ze het werk van Theo van Hoytema en een maand later, in januari 1896 een overzicht van Franse kunst, met bekende namen als Henri de Toulouse-Lautrec en Édouard Vuillard. Weer een maand later staat Vincent van Gogh op het programma.
Dat studenten zich interesseren voor kunst en tentoonstellingen van enkele dagen organiseren, is in die tijd niet zo bijzonder. Wel exposeren ze meteen in het nieuwe Groningse museum, waar ze een ruimte kunnen huren, en focussen ze zich menigmaal op één kunstenaar, om zo een overzicht van diens werk te geven. De vierde expositie is bijvoorbeeld gewijd aan Jan Toorop, waarbij zijn verschillende stijlen aan bod komen: het symbolisme, pointillisme, impressionisme en de ‘slaolie-stijl’.
Van Gogh is zo rond
De tentoonstelling rond Van Gogh is binnen een paar weken geregeld. Eind januari wordt de schoonzus Johanna van Gogh-Bongers in Bussum aangeschreven met het plan voor een expositie. Blijkens een korte briefwisseling stemt ze daarmee in. Leuring stuurt de bevriende kunstenaar Prikker erop af, die dus de selectie maakt. Half februari kiest hij een honderdtal werken, die vanaf 21 februari 1896 zes dagen te zien zijn in het Groninger Museum. Daaraan zijn ook nog eens 25 vroege tekeningen van Van Gogh toegevoegd uit een andere collectie.
Uiteindelijk komen er 1600 bezoekers op af plus ‘jongens van ambachtscholen en werklui’, die gratis naar binnen mogen. Zo’n aantal in zes dagen is lang niet slecht. Later zal een Van Gogh-tentoonstelling in Amsterdam gedurende twee maanden 4500 belangstellenden trekken.
Vincent van Gogh, Zelfportret, 1887. Foto: Rijksmuseum
Een jaar later organiseren de studenten een tweede Van Gogh-expositie, deze keer met alleen tekeningen. Volgens een krantenbericht mist men nu de ‘eigenaardige, drieste kleuren’, zoals in de eerder getoonde schilderijen. Deze expositie trekt wat minder aandacht, maar dat kan ook liggen aan de wel erg korte voorbereidingstijd van slechts één week.
Deze achtste tentoonstelling is tegelijk de laatste van het kunstlievende studentengroepje. De meesten zijn klaar met hun studie en verlaten de stad. Even plotseling als het clubje ontstond, valt het ook weer uit elkaar.
Enorme prestatie
Het Groninger Museum biedt nu een overzicht van de verschillende exposities die het zestal georganiseerd heeft. Daarbij is getracht een groot aantal kunstwerken die indertijd getoond werden hier opnieuw naartoe te halen. Ondertussen wordt een context geschetst over ontwikkelingen in de stad, met name rond de universiteit. Er komen allerlei onderzoeksinstituten. Voorbeelden van kleurentests worden gelieerd aan kleurenexperimenten in de schilderkunst, zoals het pointillisme (kleine kleurstipjes naast elkaar). Onderzoek naar kronkelende boomwortels verwijzen naar de krullende lijnen in de sierlijke art nouveau.
Johan Huizinga in zijn studeerkamer in Groningen, ca. 1895-1897, met boven zijn bureau een litho van Theo van Hoytema. Foto: particuliere collectie, Amsterdam.
Ook komt H.P. Bremmer wekelijks lezingen geven over kunst en esthetiek voor een publiek van notabelen. Bremmer zal later de belangrijke adviseur worden van Helene Kröller-Müller. Door hem aangestoken beginnen docenten aan de universiteit kunst te verzamelen, onder meer van Van Gogh. Zijn werk staat centraal in deze tentoonstelling. De complete tekeningen-serie is er weer. Maar er zijn nu tien schilderijen; een fractie van de ruim honderd, die de studenten in 1896 in een paar weekjes fiksen. Terugkijkend is dat dus een geweldige prestatie geweest. Een ‘succès fou’, zoals ze het zelf al noemen.
De lijn naar De Ploeg
Er is lang over nagepraat en de expositie maakt indruk bij verschillende kunstenaars in de stad, onder wie Minerva-docent F.H. Bach. Hij zal op zijn beurt zijn enthousiasme doorgeven aan zijn studenten door hen aan te sporen om net als Van Gogh naar buiten te trekken: dat zijn de kunstenaars van De Ploeg, bekend om hun expressionistische stijl in de jaren 20. Niet voor niets eindigt de tentoonstelling met een samenballing van hun werk.
Jan Altink, Zonnebloemen, 1925 particuliere verzamelaar Foto: Heinz Aebi
Zo vormt deze tentoonstelling een extra aanvulling op het Ploeg-verhaal. Geïnspireerd door de Franse realistische kunstenaar Jean-François Millet schilderde Vincent van Gogh een werk als De spitters (1889) met twee arbeiders op het land. Er lijkt een rechtstreekse lijn te lopen naar de Zichters (maaiers), die Johan Dijkstra dertig jaar later maakt. En kijk eens naar die wand vol zonnebloemen van Ploeg-kunstenaars als Werkman, Altink, Wiegers en Martens. Zouden die er geweest zijn zonder Van Gogh?
‘Hoe van Gogh naar Groningen kwam’, 30 november t/m 5 mei in het Groninger Museum. Open di-zo 10-17