Bert Maes geeft een cursus over inheemse bomen en struiken, rechts deelnemer Carleen de Graaf. Foto: Jaspar Moulijn Foto: Jaspar Moulijn
Drie schamele procentjes. Naar schatting is dat nog wat er over is van onze autochtone planten in Nederland. De rest is verdwenen en vervangen door soorten uit andere regio’s, exoten en tuinplanten.
Een clubje mensen loopt door het Kleibosch in Roderwolde. Met kleine loepjes in de hand turen ze naar de blaadjes van een meidoorn om te bepalen of die een eenstijlige of tweestijlige variant is. De discussie die volgt is voor de gewone sterveling misschien wat bevreemdend.
„Ik zie een relatief klein blad.”
„Het is er in ieder geval eentje met hybride genen.”
„Maar waar lijkt hij het meest op?”
„De kelk is spits. Maar niet lang genoeg.”
Autochtoon, inheems en exoot
Autochtone bomen zijn planten waarbij het genetisch materiaal al duizenden jaren op dezelfde plaats voorkomt. Autochtoon is dus de oorspronkelijke, wilde populatie. Het zijn directe nakomelingen van planten die zich na de ijstijd hier spontaan hebben gevestigd.
Dat is iets anders dan inheems. Inheemse soorten bevinden zich binnen een (soms groot) verspreidingsgebied. Binnen de populatie komen genetische verschillen voor. Neem de zomereiken: in heel Europa komen ze voor, maar de eiken op de Balkan zijn genetisch anders dan die in Spanje. Daardoor kan een inheemse eik toch niet-autochtoon zijn: de ene genetische variant staat van oudsher op een andere plek, dan de andere.
In Drenthe groeien nog relatief veel autochtone soorten zoals: wilde appel, rozensoorten en meidoornstruiken. Toch gaat het niet goed. Bijna de helft van de soorten in Drenthe is in de loop der tijd zeldzaam geworden of verdwenen.
Verder heb je ook nog de term ‘exoot’. Dat wil zeggen: een uitheemse soort die Nederland niet op eigen kracht heeft bereikt. Hij is hier gekomen door menselijk handelen. Je hebt trouwens ook exoten die lang geleden zijn ingevoerd. Dan gebruiken we andere termen. De wilde mispel is een ‘archeofyt’, want hij is voor 1500 ingevoerd en ingeburgerd. Andere soorten zoals de trosvlier hebben na het jaar 1500 op natuurlijke wijze hun weg naar Nederland gevonden en zijn ingeburgerd. Dit heet dan een ‘neofyt’.
„Hij is een beetje ongelijktandig. Hm, hij heeft wel wat van een eenstijlige.”
Het gaat nog een tijdje door. Determinatie is detailwerk. Steunblaadjes, bladvormen, tandjes op de rand, grootte van de bes. „Die knagende onzekerheid, daar moet je echt tegen kunnen bij meidoorns”, spreekt Bert Maes zijn cursisten hoop in. Hij is hier de workshopleider en de anderen doen een cursus van Landschapsbeheer Drenthe.
Tien minuten later is de groep nog niet veel verder op zijn wandeling door het bos. Ze staan enkele meters verderop bij de volgende meidoorn.
Restantjes beschermen
Het is de levensmissie van ecoloog en onderzoeker Bert Maes om deze restantjes oer-natuur te beschermen. Zelf onderzocht hij planten in elke uithoek van Nederland en schreef daar boeken en een dikke encyclopedie over. Hij is bezorgd over het aandeel autochtone struiken en bomen dat in Nederland nog over is. ‘Het verdwijnen van oerbossen in de tropen roept terecht maatschappelijke verontwaardiging op, maar het verdwijnen van de wilde soorten bomen en struiken in Nederland wordt nauwelijks opgemerkt’, schrijft Maes in zijn boek Behoud groen erfgoed.
Dat maakt die – naar schatting – drie procent ‘autochtone’ (dat wil zeggen: duizenden jaren aanwezige) beplanting heel waardevol. „Maar we hollen nu hard naar de twee procent”, vertelt Maes tijdens de cursus.
De grootste boosdoener is tegenwoordig de bossenstrategie: verkeerde bomen worden aangeplant, vindt Maes. Eigenlijk weten weinig mensen nog maar wat autochtone bomen en planten zijn, vrijwel niemand kan ze nog herkennen. Maar ze zijn belangrijk. Want bomen en struiken die hier duizenden jaren staan, hebben ook een samenwerking met insecten en dieren die hier al die tijd al leven. Sommige insecten hebben heel specifieke struiken en planten nodig.
Bovendien vertellen zulke planten het verhaal van culturen in een andere tijd. Bijvoorbeeld in een hakhoutbos, waar men eeuwenlang hun gebruiks- en haardhout vandaan haalde.
En er is nog een voordeel: autochtone beplanting zou klimaatbestendiger zijn. Dat zit zo: de bomen en struiken hebben zich sinds de laatste ijstijd genetisch veel langzamer aangepast aan het Nederlandse klimaat en zijn daardoor robuuster. Volgens ecologen heeft niet-autochtone aanplant een hoger risico op ‘fenologische mismatch’. Een plant van elders die is opgekweekt is niet zo weerbaar en kan zich niet zo goed flexibel aanpassen aan jaarlijks terugkerende Nederlandse natuurverschijnselen zoals late vorst, insectengedrag of – in toenemende mate – droge periodes. Overigens: hier moet nog meer onderzoek naar worden gedaan en de Nederlandse bossenstrategie zet náást aanplant van autochtone soorten ook in op ‘klimaatadaptieve’ soorten.
Hoeders van de oer-natuur
Vijftien vrijwilligers in Drenthe doen daarom mee aan de eerste ‘leergang autochtone bomen en struiken’ van Landschapsbeheer Drenthe. Zij leren sommige planten tot in detail te kennen. Daardoor kunnen ze straks ingezet worden door terreinorganisaties zoals Natuurmonumenten, Het Drents Landschap en Staatsbosbeheer en door particulieren met bossen en houtwallen, om te bepalen welke planten autochtoon zijn in een bepaald gebied. Met andere woorden: deze mensen worden de hoeders van de Noord-Nederlandse oer-natuur.
Hun achtergrond is uiteenlopend. De een is biologiedocent, de ander natuurbeheerder, een derde doet momenteel nog niets in de natuur, maar is wel heel geïnteresseerd.
Zo iemand is bijvoorbeeld Carleen de Graaf (40). Zij is fanatiek. Ze staat bij de meidoorns vooraan en stopt af en toe een blaadje in haar tasje. „Ik ga het drogen. Ik ga een groot boekwerk aanleggen om op terug te kunnen vallen. Dit blaadje lijkt op de koraalmeidoorn. Die oude soort is uit Nederland verdwenen. Maar aan de kruisingen kun je zien dat die hier heeft gestaan.”
Deelnemer Carleen de Graaf bekijkt op detailniveau een meidoorntakje. Foto: Jaspar Moulijn
Het valt niet mee om autochtone bomen en struiken te herkennen. Ze lijken op verwilderde of aangeplante exemplaren. En vaak zijn wilde planten gaan kruisen met Tuinlandexemplaren. Niet alleen de kenmerken, ook de omgeving – bodemtype, houtwallen en kruidplanten zoals boszegge en bosanemoon – is belangrijk om te bepalen of een plant autochtoon is. Oude kaarten kunnen daar ook bij helpen.
Anja Verbers van Landschapsbeheer Drenthe is blij met deze enthousiastelingen. Als deze leergang bevalt, starten er binnenkort meer cursussen. „Hier zijn allerlei jongere mensen die nog lang mee kunnen.”
Kleibosch is ‘topbos’
De club kijkt bij het Kleibosch bij Roderwolde. ,,Een oud topbos”, als je het Maes vraagt. Hij bracht het bos in 1994 al eens in kaart en was toen naar eigen zeggen blij verrast. Bosanemonen en essenhakhout verraden een oud, gecultiveerd bos. Al groeit de natuur hier langzaam dicht met soorten die hier niet van oudsher thuishoren. Armeense bramen, esdoorns en trosvlieren. Maes: „Vroeger was ik groot voorstander van niets-doen-beheer in de natuur. Maar ik ben er helemaal van terug gekomen. Exoten nemen de boel over, lichtminnende soorten verdwijnen. Ik zou hier zeker wat aan doen.”
Daar is Robert Jan Huizing van terreinbeheerder Het Drents Landschap niet zo happig op. Hij loopt vandaag ook mee met de vrijwilligers. ,,Dit bos vinden we zo waardevol: dan moet je goed weten waar je de zaag in zet.”
Hij is blij met de club mensen die zich gaan verdiepen in autochtone soorten. Zij kunnen bijvoorbeeld een rol spelen in het behoud van de cultuurhistorische houtwallen. Zeer oude struiken en planten worden daar soms nog weleens rücksichtslos uitgetrokken bij het dunnen, weet Huizing. „Dan ben je de hele kruid- en struiklaag kwijt. Doodzonde. Als we straks precies weten wat waar staat, kunnen wij dat gelukkig vastleggen in onze beheerplannen.”
Hoe bepaal je autochtoon?
Maar hoe bepaal je dat nou eigenlijk welke bomen hier genetisch al duizenden jaren geleden groeiden en welke niet? Dat is best een puzzel, geeft Maes toe. Hij heeft zijn hele leven hier al aan gewijd en adviseert overheden en terreinorganisaties vanuit een eigen ecologisch bureau.
Maes pakt een beukennootje van de grond. Deze heeft een korte nap, binnen de twee centimeter. „Dit gaat al aardig in de wilde richting. Maar we zijn nog steeds op zoek: hoe ziet de echte wilde hazelaar eruit. Dat is allemaal nog niet zo makkelijk: er zit ook natuurlijke variatie tussen de ene en de andere hazelnoot.”
In een notendop zou je kunnen zeggen: hoe uitbundiger de plant en hoe groter de vrucht, hoe groter de kans dat het een opgekweekt modelletje is. „Af en toe pak ik een nieuwe soort bij de kraag, waar ik me helemaal in verdiep”, vertelt Maes. ,,Ik ben nu net weer begonnen met klimop. Ik dacht: dat zal allemaal wel wild zijn. Maar er zijn andere soorten uitgezaaid door vogels in het bos. Het blijkt toch weer complexer.”
Bert Maes wijst aan elke bomen wel en welke niet autochtoon lijken te zijn. Foto: Jaspar Moulijn
Zo is Maes inmiddels een wandelende encyclopedie. Kennis die hij graag doorgeeft: wist je bijvoorbeeld dat DNA-onderzoek aan heeft getoond dat de eiken in Noord-Nederland van de ‘Spaanse lijn’ komen, terwijl ‘de Italianen’ in de Achterhoek staan? Nu wordt het een deelnemer van de cursus toch even te gortig. „Wat maakt dat uit?”
Heel precies weet Maes dat in dit geval ook niet. „Dat zou onderzocht kunnen worden, ik denk bijvoorbeeld dat het belangrijk zou kunnen zijn als het klimaat verandert.”
„En moeten wij dat kunnen zien in het veld?”, vraag de bezorgde vrijwilliger. Een andere cursist heeft wel een idee. ,,Spaans praten.”