Olav Mol over zichzelf: ,,Er zijn weinig televisiecommentatoren die meer dan 600 Grand Prixs hebben verslagen.'' Foto: Eran Oppenheimer
De Formule 1 bestaat 75 jaar. Olav Mol (63), behorend tot de ‘pitlane royalty’, schreef een boek over de geschiedenis van de jarige. Die staat er volgens de commentator verrassend goed voor. Dit weekeinde start het seizoen in Australië. Wat hemzelf betreft: „Ik snap dat niet heel Nederland op mij zit te wachten.”
De wereld is klein. Olav Mol, woonachtig in het Spaanse Calpe, wordt bij de koffiecorner van zijn hotel aangesproken door een eind-70’er in Van der Valk-bedrijfskleding. Het blijkt voormalig autocoureur Bert Moritz. Mol toont hem zijn nieuwste boek, 75 jaar Formule 1. Hierin behandelt de commentator met co-auteur Erik Houben het begin van de koningsklasse van de autosport in de jaren 50 tot de huidige dominantie van Max Verstappen. En die vooral benadrukt: deze verjaardag is geen seniorenfeestje.
Het is desalniettemin een respectabele leeftijd. Hoe staat deze bejaarde ervoor? Krijgt-ie al kwaaltjes?
„De Formule 1-sport is uitermate gezond, heel knap. De populariteit is de laatste jaren, en niet alleen in Nederland, enorm gegroeid. Terwijl het een heel moeilijke sport is, met bergen regels. Dan komen we precies op het kwaaltje. Het zijn er te veel en vaak onnavolgbaar. Zoals forcing another driver off the track: het verbod op een ander van de baan duwen. Autoracen is bijna tot op de millimeter een contactsport. Als iemand jou vanuit de buitenbocht probeert in te halen, weet je: ik ga jou afknijpen. Dat is wat anders dan elkaar er echt afrossen, dat is forcing an accident. Maar regels die ruimte voor interpretatie laten, blijven lastig. Vooral als de beoordeling in wisselende handen is en een actie in de ene race wordt bestraft terwijl coureurs er in een andere mee wegkomen. Dan ga je het niet meer snappen.”
‘Drive to survive’ van Netflix heeft bijgedragen aan de populariteit, toch?
„Het was heel slim om die serie op te zetten. Al heeft iedereen die in de Formule 1 werkt, er acne van gekregen op plekken waar ze het nooit hadden verwacht. Want dit is helemáál niet zoals het er op de paddock en de baan echt aan toe gaat. Maar voor wie onbekend was met de sport, is het een openbaring. Het zijn hapklare brokjes. Ik wil niet zeggen dat het inmiddels richting Goede tijden, slechte tijden gaat, maar er wordt nu wel veel in gescript. Je ziet gesprekken die nooit daadwerkelijk zo hebben plaatsgevonden. Maar ja, ook Drive to survive heeft eraan bijgedragen dat we nu een gezonde bejaarde hebben.”
Vertel eens over Carel Godin de Beauvoir, de eerste Nederlandse autocoureur.
„Dat was een jonge jonkheer die een fascinatie voor snelheid had én het geld om een Formule 1-wagen te kopen. Het waren altijd aristocraten met dubbele achternamen, nooit een Pietje Puk. Uiteindelijk reed Carel zich in Duitsland dood. Denk aan wat André van Duin als Willempie op zijn hoofd had, zo’n helmpje droegen die jongens. De bescherming sloeg helemaal nergens op. Op het circuit rijdt de dood altijd met je mee en toen helemaal. Nee, ik heb geen foto van hem thuis hangen, zo erg is het ook weer niet. Maar ik zie hem wel zo voor me. Grappig genoeg lijkt mijn jongste kleinzoon op hem, datzelfde bolle, blonde gezicht.”
Gratis kijken naar Grand Prix van Australië
Geen abonnement op Viaplay? Voor de kwalificatie op zaterdag 15 maart zijn er verschillende gratis opties: RTL Duitsland zendt de sessie om 5.30 uur uit met Duits commentaar op Ziggo kanaal 58 en KPN kanaal 47. RTBF Tipik biedt een gratis uitzending om 5.55 uur met Frans commentaar op Delta kanaal 504. Bij die laatste is ook de finale van zondag 16 maart vanaf 4.55 uur gratis te volgen.
Je werd in 1980 voor het eerst meegenomen naar Zandvoort door je oom Kees, een bollenboer. Daar zag je de Lotus, vaak geroemd als de mooiste Formule 1-wagen ooit. Eens?
„Hij heeft glimmende, zwarte banden, met goudgele letters JPS, het sigarettenmerk John Player Special, erop. Veel moderner gespoten dan de rest, esthetisch klopte alles. Daarbij was het een bijzonder snelle auto en het volledige team liep in het zwart rond. Teambaas Colin Chapman gooide altijd triomfantelijk zijn zwarte pet in de lucht na een gewonnen race. De mooiste? Deze Lotus roept in ieder geval de meeste romantiek bij me op. Kinderen van nu zullen dat later waarschijnlijk met de auto van Max hebben.”
Je schrijft: ’Op een aantal momenten moet je een teringlijder kunnen zijn als je kampioen wilt worden’. Pittige uitspraak.
„Ik durf het nog wel harder te stellen: ’Je zal nooit wereldkampioen in de Formule 1 worden als je geen teringlijder bent’. Daarop wil ik wel laten volgen: ’Het zijn wel aardige jongens’. Maar er moet een teringlijder in je schuilen.”
Ergens diep in je, bedoel je?
„Nou, die zit niet diep bij die jongens, hoor. Alain Prost was het, als het nodig was. Jackie Stewart, Michael Schumacher, Ayrton Senna. We zien allemaal af en toe die kant bij Max. Ik moet diep nadenken om wereldkampioenen te bedenken die geen teringlijders zijn. Jenson Button is een aardige jongen, Damon Hill ook. Beide enkelvoudig wereldkampioen. Ik ga het nog makkelijker maken: Mark Webber is een superaardige gozer maar nooit wereldkampioen geworden; Rubens Barrichello, een lieverd, evenmin.’’
,,Over Charles Leclerc twijfel ik nog: is hij teringlijder genoeg om wereldkampioen te worden? Het is een negatief woord met een positieve lading voor een topsporter. Je hebt het nodig om het in de topsport te maken. Wij zien alleen de romantiek: de coureur in Miami met een mooie vrouw en champagne. Maar niet als hij in de wintermaanden op een klein balkonnetje in Monaco 2,5 uur lang met gewichten aan een band om zijn hoofd een dikke nek aan het kweken is.”
Word je ongemakkelijk van een term als ’pitlane royalty’ of denk je, in alle bescheidenheid, dat het een terechte kwalificatie is?
„Ach, ik vind het niet heel belangrijk. Maar er zijn weinig televisiecommentatoren die meer dan 600 Grand Prixs hebben verslagen. Nog steeds kan ik op de paddock bij iedereen naar binnen lopen. Waar ik eigenlijk het meest trots op ben, is dat ik ben begonnen met veel creatieve dingen die je bij de Formule 1-verslaggeving ziet. Zoals een interview met stoelen op de paddock. Jack Plooij en ik zetten iemand in het midden. We gingen ieder aan één kant zitten en dan mocht de coureur onze vragen alleen met ja of nee beantwoorden. Iedereen vond het fantastisch. Nu zie je daar allerlei variaties op. Dat vind ik toch leuk.”
,,Ik stak altijd mijn kop net boven het maaiveld uit, zonder mijn neus omhoog.'' Foto: Eran Oppenheimer
Je zocht altijd al een podium, lijkt het. In je jeugd had je met Gaston Starreveld een radioprogramma bij een piratenzender. Ben je niet eigenlijk een showman die toevallig bij de autoracerij is beland? Was je, als het balletje iets anders had gerold, van een glittertrap afgedaald of had je een muziekprogramma gepresenteerd?
„Jongeren vragen me: ’Hoe word ik Formule 1-commentator?’ Dan zeg ik altijd: ’De tweede vraag is: hoe kom je er vanaf?’ Je rolt erin. Ik stak altijd mijn kop net boven het maaiveld uit, zonder mijn neus omhoog. Muziek heeft van jongs af aan mijn interesse en ik was voorzitter van het jeugdbestuur van de hockeyclub in Bennebroek. Als de hockey op zondag werd afgelast, was ik de eerste die het bestuur vroeg of het clubhuis open mocht voor een feestje.”
Is het een misverstand dat je zo nodig in beeld moet? Ook nu je niet mee kon naar Viaplay dat de F1-rechten heeft?
„Zie je mij op de rode loper? Bekendheid is voor mij een soort noodzakelijk kwaad. Het hoort er nu eenmaal bij. Ik maak het programma Langs de vangrails omdat ik het te leuk vind om dat te laten. Toen Ziggo de rechten verloor, dacht ik: dan doe ik het wel op mijn manier, digitaal. De F1 laat me gewoon niet los. Dat zou ook onverstandig zijn. Er stroomt toch een beetje benzine door mijn aderen.”
Hoe vaak gebeurt het nog dat mensen roepen ’Yo hey yo ho, yo fucking hell wat bizar’ als ze jou zien?
„Ha! Dat zei ik alweer bijna tien jaar geleden na de eerste Grand Prix-zege van Max Verstappen. Vooral jongeren die mijn Race Theatershow hebben gezien, spreken me erop aan. Het is een kreet die aan mijn kont hangt. Soms wordt me gevraagd het nog eens te roepen, maar dat weiger ik: er zal nooit meer die lading van toen in zitten. Het was een persoonlijke uiting. Stel je voor dat je al jarenlang commentaar bij een sport geeft en het is altijd die Duitser die wint, of die Engelsman. En toen kwam Max.”
Je hecht er veel waarde aan niet als een Verstappen-fan te worden gezien.
„Ik ben fan van momenten, niet de woordvoerder van de Max Verstappen-fanclub. Wat ik wel wil zeggen, is dat het zo Nederlands is om internationale prestaties van een landgenoot onvolledig op waarde te schatten. Dat geldt voor Max en ook voor Mathieu van der Poel. We roepen snel: ze worden er toch goed voor betaald? Wij zijn letterlijk trendvolgers. Na de Olympische Spelen is Worthy de Jong het gesprek bij de koffiemachine, maar dat is maar even.’’
,,Opeens gingen hordes Verstappen-fans in een oranje shirtje naar het circuit om Max even te zien winnen. Als dat niet gebeurde, was alles kut. Ik zag wrijving ontstaan tussen fans die al jaren de Formule 1 volgen en die hele hoos partypoopers die erbij kwam. Daarmee wil ik die mensen niet als vervelend wegzetten. Wie had ooit gedacht dat Nederlanders naar een Grand Prix in Baku zouden gaan? Maar de mensen van de Orange Army zijn de eersten die afhaken als Max volgend jaar niet verder in de competitie komt.”
Doet het pijn als je als vergane glorie zou worden gezien omdat je niet meer vanaf de paddock zelf verslag kunt doen?
„Zo voel ik het zelf in ieder geval niet. Ik doe mijn werk nog steeds met dezelfde toewijding en lol. Door sociale media, die ik de asociale media noem, pakt iedereen ineens een platform. Mensen zullen zich altijd tegen de gevestigde orde en succes afzetten. Ik snap heel goed dat niet heel Nederland op Olav Mol zit te wachten. Maar dit is toevallig mijn baan. Er zijn ook collega-commentatoren naar wie ik het prettiger vind om naar te luisteren dan anderen.”
Hoe zit jij er straks bij als 75-jarige?
„Ik moet het eerst maar zien te halen. Al ben ik op de goede weg. Op mijn 25ste ben ik opgehouden met volwassen worden; ik maak nog steeds dezelfde flauwe grappen. Alleen vertelt mijn lijf me regelmatig iets anders. Internisten zijn ervan overtuigd dat ik nog steeds diabetes heb. Het zal wel, ik doe er niks mee. Eén pilletje slik ik ervoor. Al zou dat officieel ongeschikt zijn voor mijn diabetes-type, het werkt wel. En verder: als er ongemakken komen, dan komen er ongemakken. Maar ik denk dat als je joie de vivre hebt, om een mooie Nederlands uitdrukking te gebruiken, je een heel eind komt.”
Wat heeft de Formule 1 je opgeleverd?
„Geluk in alle vormen. Ik vind het leuk, heb er mijn werk van kunnen maken en kan ervan leven. Al was ik met zo’n carrière in Engeland schathemeltjerijk geweest. Daar klaag ik niet over, ik heb het heel goed. Ik ben een heel content mens.”
Over ouder worden: ,,Ik hoop dat we ooit in Nederland zover zijn dat je een uitstapfeest kunt geven.'' Foto: Eran Oppenheimer
Al heb je wel je portie tegenslag gehad.
„Welkom in het leven. Daarvan word je niet gevrijwaard, niet als topsporter en niet als journalist.”
Had je iets aan de sportmentaliteit toen je eerste vrouw Marjon overleed?
„Nee. Pijn is pijn. Dat ik niet bij de pakken ben gaan neerzitten, is karakter. Zo was het ook gegaan als ik een kantoorbaan zou hebben gehad. De pijnlijkste uitspraak die ik regelmatig moet doen wat haar overlijden betreft, is dat het goede van kanker is dat de dood niet onverwacht komt. Vroeger dacht ik: prima als ik opeens op de wc sterf. Ja, voor mij, maar niet voor je familie. Dat iedereen was voorbereid op het moment dat Marjon ging sterven, is zoveel waard. Dat is zo anders dan wanneer je dat telefoontje krijgt over de vrachtwagen die niet op tijd kon remmen.’’
,,Ik ga niet al te filosofisch zijn, maar ik hoop dat we ooit in Nederland zover zijn dat je een uitstapfeest kunt geven. Dat je denkt: ’Ik ben 84, er komen kwalen, ik vind het eigenlijk wel best zo. Nu ik nog helemaal bij zinnen ben, geef ik een megafeest en aan het einde van de rit roep ik tabee’. Ik hoor net te vaak dat het laatste deel van een leven nou niet bepaald het mooiste was. Ja, dat zijn wel dingen waarover ik nu nadenk.”
Het boek '75 jaar Formule 1' dat Olav Mol samen met Erik Houben schreef. Foto: uitgeverij Spectrum
Uitgave
Titel 75 jaar Formule 1
Auteurs Olav Mol, Erik Houben
Uitgever Spectrum
Prijs 22,99 euro (368 blz.)
Olav Mol
Olav Mol (Bloemendaal, 1962) begon zijn carrière als dj. Sinds 1991 is hij commentator bij Formule 1-wedstrijden. Hij is mede-initiatiefnemer van de Grand Prix Radio, een zender die F1 en muziek combineert. Hij won de Theo Koomen Award 2016 voor zijn commentaar bij de winst van Max Verstappen in Barcelona. Mol heeft tientallen boeken op zijn naam staan waaronder de kinderboekenreeks Snelle Sam die hij samen met Erik Houben en illustrator Renée Rienties uitbrengt.
Mol is vader van een tweeling en heeft drie kleinkinderen. In 2004 verhuisde hij met zijn gezin naar Spanje. Zijn eerste vrouw overleed in 2010. In 2016 trouwde Mol opnieuw.