Dennenprocessierupsen 'in processie' op straat. Silvia Hellingman
Naast de eikenprocessierups staat nu ook de dennenprocessierups voor de deur. Wetenschappers hebben het insect recent al aangetroffen in Luik in België.
De kans dat we ons gaan branden aan dit Zuid-Europese dier is dan ook behoorlijk groot. „Volksverhuizingen in de natuur zien we steeds vaker.”
Uitslag, rode ogen, jeuk, zwellingen en soms zelfs ademhalingsproblemen of koorts: de haartjes op de processierups zijn niet bepaald een pretje. En ze hebben ook nog eens tot een miljoen van die pijlvormige haren op hun lijf. Grote kans dat we daar in de toekomst nóg vaker last van gaan hebben.
Na een pijnlijke kennismaking met de eikenprocessierups de afgelopen jaren, staat nu zijn vervelende broertje voor de deur. In Luik – op nog geen 25 kilometer van Limburg – is door wetenschappers vorige maand de dennenprocessierups gespot. En die gaat zich ook hier vestigen, vermoeden wetenschappers op basis van eerdere waarnemingen.
„We zagen ’m al aankomen”, is Arnold van Vliet duidelijk. Hij is bioloog en onderzoeker aan de Wageningen Universiteit. In 2018 waarschuwde hij al voor het insect. „We zien al jaren dat die bezig is met een opmars richting het noorden.” De rups – een larve van de processievlinder – komt oorspronkelijk uit Zuid-Europa en Afrika. Maar een paar jaar geleden werd hij plots gespot in Noord-Frankrijk en recent in drie Belgische provincies.
Vlinder
De reden daarvoor is een alombekende: klimaatverandering. „De rups is een warmteminnende soort en het wordt hier steeds warmer. Door die veranderingen zien we dit soort volksverhuizingen steeds vaker voorkomen in de natuur”, legt Van Vliet uit.
Ter verduidelijking: dit zijn geen invasieve exoten, zoals de buxusmot of Aziatische hoornaar. Die worden door mensen naar Nederland gehaald. De dennenprocessievlinder komt op eigen houtje naar hier. Simpelweg omdat hun leefgebied groter wordt.
Tekst gaat verder onder de video.
In het Middellands Zeegebied – waar ze vandaan komen – zorgen de rupsen geregeld voor plagen. Daar vreten ze massaal dennenbomen kaal. Maar door diezelfde klimaatverandering zien wetenschappers in zuidelijke gebieden ook de aantallen weer afnemen door de toenemende droogtes, blijkt uit recente studies.
Brandharen
De verhuizing naar hier, de noordgrens van hun leefgebied, gaat behoorlijk voortvarend. In lange rijen – ook wel processies genoemd – kruipen ze wel anderhalve kilometer ver in hun rupsenleven. In hun vlinderfase komen ze nog verder. „Het kan zijn dat ze al in Nederland zijn, maar dat we ze simpelweg nog niet gevonden hebben”, is Van Vliet realistisch.
Biologen hebben vallen neergezet in onder andere Wittem en Venray. Al hopen ze vooral dat mensen wat alerter worden en gespotte dieren melden op waarneming.nl. Dat maakt bestrijding een stuk makkelijker. In tegenstelling tot de eikenprocessierups, maken deze in hun eerste larvestadium al een nest. „We kunnen ze dus ontdekken voordat ze brandharen krijgen. Dat gebeurt pas in hun vierde en vijfde larvefase”, aldus de bioloog.
Meidoorn
Die fasen mét brandharen hebben ze normaliter in maart en april, een paar maanden eerder dan die in de eikenbomen. „Een belangrijker verschil is dat de dennenprocessierups zich niet in de boom, maar in de grond verpopt tot vlinder. Dat maakt de kans groter dat mensen met hen in contact komen.” Ook hebben ze meer brandharen, wat hen zelfs dodelijk maakt voor andere dieren als ze met de insecten in aanraking komen.
Genoeg reden om op te passen dus. Al helemaal in Limburg. „De den is hun gastheer. Maar wat hun naam niet zegt, is dat ze ook leven bij de tweestijlige meidoorn”, weet Van Vliet. Een blik op de verspreidingskaarten voorspelt weinig goeds: die boom komt weer bijzonder veel voor in de provincie.