"Wanneer je voelt dat de auto begint te slippen, moet je eerst ontkoppelen in plaats van te remmen." Foto: Frederiek vande Velde
Het sneeuwt in ons land. Daarom: enkele rijtips waarmee je veel ergernissen voorkomt, voor jezelf en voor anderen. Of waarom je tot 4 moet tellen tijdens het rijden, je lichten moet aanzetten voor je je motor start en vooral niet naar de bomen moet kijken.
Eerst ontkoppelen, dan pas remmen
„Wanneer je voelt dat de auto begint te slippen, moet je eerst ontkoppelen in plaats van te remmen”, zegt Chris Vanhee van het Vlaamse ProMove, een bedrijf dat slipcursussen geeft. „Zo neutraliseer je de krachten en kun je de auto weer stabiliseren door wat tegen te sturen en te corrigeren. Ga je onmiddellijk op de rem staan, dan is dat veel moeilijker.”
„Reed je te snel of dreig je te botsen, dan moet je natuurlijk wél remmen. Heb je geen ABS, wat vooral bij oudere wagens het geval is, rem dan met korte tussenpauzes. Pompen, zeiden ze vroeger in de rijschool. Want als de wielen volledig blokkeren, schuif je rechtdoor, hoe hard of zacht je ook aan je stuur draait.”
Vertrek in tweede versnelling
Start je in eerste versnelling, dan komt er veel kracht op de wielen. Gevolg: ze kunnen doordraaien en zich ingraven in de sneeuw. Beter is dus om te vertrekken in de tweede versnelling. „Zo breng je het motorvermogen veel rustiger over op de wielen”, zegt Vanhee. „In de tweede versnelling heb je op een glad wegdek veel meer kans om gecontroleerd te vertrekken.”
„Zelfs met winter- of vierseizoensbanden heb je 30 tot 35 meter remafstand nodig bij een snelheid van amper 50 kilometer per uur.” Beeld: De Telegraaf
Tel tot 4
„Hou voldoende afstand”, zegt Vanhee. „Zelfs met winter- of vierseizoensbanden heb je 30 tot 35 meter remafstand nodig bij een snelheid van amper 50 kilometer per uur. Met gewone banden is dat zelfs 70 meter. Hoe je weet of je voldoende afstand houdt? Door een herkenningspunt langs de weg te nemen, bijvoorbeeld een lantaarnpaal of een brugpijler, en de seconden te tellen vanaf het moment dat je voorligger dat punt voorbijrijdt. Kom je zelf voorbij het punt terwijl je nog aan het tellen bent, dan rij je te dicht op je voorganger. Bij een droog wegdek tel je tot 2, bij regen tot 3en bij sneeuw tot 4 en meer.”
Zet de tractiecontrole even uit
„Vind je auto bij het starten geen grip, zet dan de tractiecontrole (TCS) en het stuurcorrectiesysteem (ESP) even uit”, zegt Vanhee. Die knoppen vind je in de meeste wagens in de buurt van de handrem. „Beide voorkomen in normale omstandigheden dat je gaat slippen, maar in diepe sneeuw zorgen ze er juist voor dat je niet wegkomt. Belangrijk: niet vergeten om ze opnieuw te activeren zodra je rijdt.”
Laat die sneeuwkettingen maar liggen
Het wegdek moet echt dik besneeuwd zijn voor sneeuwkettingen echt een meerwaarde bieden. In ons land kan je ze amper gebruiken. „Als er hier en daar nog stukken asfalt vrij liggen, bieden ze zelfs minder grip dan gewone banden. En het is niet comfortabel rijden. In veel landen mag het daarom pas vanaf 5 cm sneeuw”, zegt Vanhee.
Zonder jas is veiliger
„Doe je jas uit als je in de wagen stapt. En is het te koud om zonder jas in de auto te zitten, trek dan je gordel voor het vertrek nog even strakker aan”, zegt Vanhee. „Bij een aanrijding heeft een gordelspanner namelijk geen nut als er een dikke luchtlaag tussen je gordel en jezelf zit. Dan word je toch wat vooruit geslingerd bij de botsing.”
Niet morrelen met bandenspanning
„Het is een fabeltje dat je tijdens de winter je bandenspanning moet verlagen”, klinkt het bij Vlaamse VAB, de tegenhanger van de ANWB bij de zuiderburen. „Voor optimale grip moet die áltijd juist zijn. De correcte spanning vind je in de zijkant van je deur of aan de binnenkant van je tankdop.”
Haal de sneeuw ook van je dak
„Maak je auto volledig sneeuw- of ijsvrij”, zegt Ivan Bruggeman, verkeersspecialist van Wolters Kluwer. „Niet alleen zodat je voldoende zicht hebt uit de ramen. Het is ook belangrijk dat je de sneeuw of het ijs op de motorkap en het dak verwijdert. In de wegcode staat dat je al het nodige moet doen om ongevallen te vermijden. Vliegen er bakken sneeuw of ijs van je auto op een ander voertuig, dan kan dat voor problemen zorgen.”
Steek eerst even de lichten aan
„Bij koud weer starten auto’s moeilijker omdat batterijen niet van vrieskou houden”, luidt het bij Renault-garage Valckenier in Aalst. „Om dat te voorkomen, kun je het beste vlak voor het starten even de lichten aandoen. Een startmotor vergt namelijk een hoge piekstroom. Als je batterij niet meer optimaal werkt door de kou, kan die het begeven bij het opstarten.”
„Door eerst de lichten aan te zetten, zet je het chemisch proces binnen de batterij voorzichtig in gang zodat die als het ware klaargemaakt wordt voor de start. Lukt het toch niet, let dan bij nieuwe auto’s zeker op met startkabels. Die sturen zoveel stroom de wagen in dat de vele elektronica het kan begeven. Je kunt dan beter de wegenwacht bellen of de garage.”
Opgelet met platgereden sneeuw
„Sommige chauffeurs denken dat ze op het baanvak waar de sneeuw al platgereden is door andere auto’s, sneller kunnen rijden”, zegt Vanhee. „Fout. Vaak is het daar zelfs gevaarlijker dan rijden in verse sneeuw omdat alles er bij negatieve temperaturen aangekoekt en vastgevroren is. Dat zorgt voor zeer gladde plekken. Het is dus niet omdat een baanvak er wat beter bij lijkt te liggen door spoorvorming, dat je je rijgedrag niet langer hoeft aan te passen.”
Maak je schoenen sneeuwvrij
„Zorg dat je schoenen sneeuwvrij en droog zijn”, aldus de VAB. „Anders kunnen je voeten van de pedalen glijden.”
Kijk niet naar de boom
„Het is een natuurlijke reflex van mensen om te kijken naar eventuele obstakels die je kan raken”, klinkt het bij VAB. „Doe dat niet, kijk altijd naar de plek of opening waar je naartoe wil rijden.”
Gebruik geen warm water
Wie aangevroren of ondergesneeuwde autoruiten wil ontdooien, kan dat beter niet met warm water doen. Door het grote temperatuurverschil kan de autoruit barsten. Het water kan - eenmaal afgekoeld - aanvriezen. Steek ook een kurk tussen de ruitenwissers zodat die niet vast kunnen vriezen aan de voorruit.
Zet radio en navigatie uit
„Stroomvreters maken het voor de wagen op een koude morgen al helemaal moeilijk om te starten”, zegt Danny Smagghe van Touring. „Zet de navigatie en radio uit en haal de lader van de telefoon uit de stekker. Die vragen alleen maar extra energie aan de batterij die het met dit weer al hard te verduren krijgt.”
Maak geen onverwachte bewegingen
„Draai voorzichtig aan het stuur wanneer je merkt dat je aan het slippen bent”, zegt Chris Vanhee van ProMove. „Bij onverwachte bewegingen gaat je wagen binnen de kortste keren rond.”
Zet je stoel goed
„Wie correct achter het stuur zit, voelt zijn wagen ook het best aan”, zegt Vanhee. „Je stoel moet zo afgesteld zijn dat je je benen niet volledig moet strekken om de pedalen te bedienen. Let er ook op dat je polsen op het stuur rusten als je je armen strekt met de schouders tegen de rugleuning. Dat is de ideale afstand. Zet je stoel zo laag mogelijk. Door lager te zitten, kom je dichterbij het zwaartepunt van de auto en ga je hem ook veel beter aanvoelen.”
„Zorg er natuurlijk wel voor dat je een goed zicht behoudt. Tijdens het rijden laat je je linkervoet best rusten op de steun links van het ontkoppelingspedaal, ook dat zorgt ervoor dat je de auto best aanvoelt. De optimale hellingsgraad voor de leuning van je stoel, is honderd graden. De afstand tussen de hoofdsteun en je hoofd mag dan weer maximaal vijf centimeter zijn. Zo voorkom je een zware whiplash bij een botsing.”