In het coalitieakkoord kondigen CDA, VVD en D66 de aanstelling van een 'regeringscommissaris' aan die de herstel- en versterkingsoperatie en uitvoering van Nij Begun overziet. Foto: ANP/Jeroen Jumelet
Het voornemen van de nieuwe regering om een Rijkscommissaris Herstel Groningen te benoemen, verdient volgens Derk Kremer waardering. Maar hij vreest dat deze commissaris zonder expliciete bevoegdheden verwordt tot een extra schakel in een toch al complex systeem.
De nieuwe regering is voornemens een Rijkscommissaris Herstel Groningen te benoemen. Dat voornemen verdient op zichzelf waardering. Na jaren van wisselende bewindspersonen, veranderende prioriteiten en telkens nieuwe beloftes, is het besef doorgedrongen dat continuïteit geen luxe is, maar een randvoorwaarde voor herstel. Voor bewoners die al meer dan tien jaar in onzekerheid leven, kan een Rijkscommissaris rust, richting en geheugen brengen.
Maar wie denkt dat de benoeming op zichzelf voldoende is, vergist zich. Het succes van een Rijkscommissaris zal niet afhangen van de persoon alleen, maar vooral van het mandaat dat hij of zij meekrijgt.
Wie denkt dat de benoeming op zichzelf voldoende is, vergist zich
Het voordeel van een Rijkscommissaris is evident. In theorie staat deze boven de dagelijkse politieke dynamiek, kan hij of zij langer aanblijven dan een kabinet en overzicht houden over de hele herstelketen. Dat biedt kansen om eindelijk consistent te sturen op veiligheid en zorgvuldigheid, in plaats van op beheersbaarheid. Ook kan een Rijkscommissaris een duidelijk aanspreekpunt zijn voor bewoners, iets wat in het huidige versnipperde stelsel vaak ontbreekt.
Niet nóg een coördinator
Tegelijkertijd ligt hier een risico. Zonder expliciete bevoegdheden dreigt de Rijkscommissaris te verworden tot een extra schakel in een toch al complex systeem. Groningen heeft geen behoefte aan nóg een coördinator, maar aan iemand die kan ingrijpen wanneer het systeem vastloopt — en dat gebeurt nog altijd te vaak.
De praktijk laat zien dat herstel en versterking niet primair vastlopen op gebrek aan goede bedoelingen, maar op institutionele inertie. Organisaties zijn ingericht op procedures, risicomijding en juridische zekerheid. Dat is begrijpelijk, maar het effect is dat veiligheid en zorgvuldigheid in de uitvoering worden gereduceerd tot afvinklijstjes. Bewoners merken dat hun situatie wel wordt ‘behandeld’, maar niet werkelijk wordt opgelost.
Juist daarom is een realistische aanpak nodig: één die erkent dat het bestaande stelsel niet vanzelf meebeweegt, en dat verbetering niet ontstaat door nieuwe woorden, maar door andere spelregels. Een Rijkscommissaris kan daarin het verschil maken – mits hij of zij beschikt over een helder en stevig mandaat.
Helderheid op drie punten
Dat mandaat moet op drie punten duidelijk zijn.
Ten eerste: normstellend. De Rijkscommissaris moet kunnen vastleggen dat veiligheid en zorgvuldigheid leidend zijn, ook wanneer dat botst met bestaande protocollen of uitvoeringskaders. Niet als vrijblijvende richtlijn, maar als toetsbare norm. Zonder die bevoegdheid blijft elke verbetering afhankelijk van bereidwilligheid binnen organisaties.
Ten tweede: doorzettingsmacht. Veel problemen ontstaan tussen organisaties, waar verantwoordelijkheden diffuus zijn en niemand het laatste woord heeft. De Rijkscommissaris moet knopen kunnen doorhakken, conflicten beslechten en besluiten nemen die direct uitvoerbaar zijn. Zonder terugval naar steeds wisselende politieke besluitvorming.
Ten derde: beschermend richting bewoners. De Rijkscommissaris moet kunnen ingrijpen wanneer mensen door stapeling van procedures, tegenstrijdige besluiten of vertragingen in een onveilige of onzorgvuldige positie belanden. Dat vraagt om de bevoegdheid om maatwerk af te dwingen, besluiten te schorsen of te corrigeren — zonder dat bewoners zelf opnieuw de juridische strijd moeten aangaan.
Geen eindpunt, maar een keuze
Zonder dit mandaat is het risico groot dat de Rijkscommissaris symboolpolitiek wordt: een herkenbaar gezicht, maar zonder de macht om het systeem daadwerkelijk te veranderen. Met dit mandaat kan hij of zij uitgroeien tot wat Groningen nodig heeft: een bewaker van continuïteit én een beschermer van bewonersbelangen.
De benoeming van een Rijkscommissaris is dus geen eindpunt, maar een keuze. De vraag is niet of het idee goed klinkt, maar of de regering bereid is daar ook consequenties aan te verbinden. Alleen dan wordt deze stap meer dan een nieuw hoofdstuk in een lang verhaal – en ontstaat er eindelijk perspectief op herstel dat niet alleen veilig is op papier, maar ook zorgvuldig in de praktijk.
Derk Kremer is nauw betrokken geweest bij het herstelproces in Groningen en houdt zich bezig met bestuurlijke en uitvoeringsvraagstukken rond schade en versterking.