Studenten van het Noorderpoort krijgen een rondleiding langs sporen van het slavernijverleden in Groningen. Foto: Duncan Wijting
Theatervoorstellingen, kunstwerken, stadswandelingen: nog nooit werd Keti Koti zo groot gevierd in het Noorden. Op 1 juli wordt de afschaffing van de slavernij herdacht. Want ook hier zijn sporen van de slavenhandel nog altijd zichtbaar én voelbaar.
,,Dit is de Noorderhaven’’, zegt David Bakker, educatie- en projectmedewerker van de Stichting Discriminatie Meldpunt Groningen, en tevens stadsgids. Hij staat op een breed stuk stoep vlak naast de Plantsoenbrug. Om hem heen staat een handjevol studenten van het Noorderpoort aandachtig te luisteren.
,,Hier kwamen de schepen van de West-Indische Compagnie binnen om goederen uit te laden.’’ Hij wijst naar een gebouw aan de overkant. ,,Kijk, daar staat het woord Compagnie op de gevel. Dat stond er vroeger niet. Het is er later opgezet als een soort herinnering aan het verleden.’’
West-Indische Compagnie
Drie- en viermasters van de West-Indische Compagnie (WIC) voeren hier vanaf 1634 korte tijd de haven binnen, tot het Reitdiep dichtslibde. Later werd gebruikgemaakt van de haven van Delfzijl. De WIC was een Nederlandse handelsvereniging, die in de zeventiende en achttiende eeuw het staatsmonopolie bezat op handel en scheepvaart op Noord- en Zuid-Amerika en West-Afrika.
Suriname en het Caraïbisch deel van Nederland waren in die tijd belangrijke koloniën waar kostbare producten zoals tabak, cacao en suiker werden verbouwd. De mensen die het loodzware werk op de plantages verrichtten, kwamen uit Afrika en werden in groten getale naar de koloniën verscheept en daar op slavenmarkten verkocht.
In totaal werden in de periode van de Nederlandse slavenhandel zo’n 11 tot 12,5 miljoen tot slaaf gemaakten uit Afrika verscheept en verkocht; 600.500 van hen werden door Nederlanders verhandeld, van wie de helft door de WIC.
Een tekening van een slavenschip waarin tot slaaf gemaakten vanuit Afrika opeengepakt werden verscheept naar Noord- en Zuid-Amerika. Foto: Wikimedia Commons
Buskruit, geweren, boeien, slaven
Die verbinding tussen Europa, West-Afrika en de Amerika’s staat bekend als de driehoek van de trans-Atlantische slavenhandel. Ook in de Noorderhaven werden de kostbare waren uit de koloniën uitgeladen, waarna het schip gevuld werd met onder meer buskruit, geweren, jenever en uiteraard boeien voor de tot slaaf gemaakten. Daarna werd koers gezet naar West-Afrika om daar slaven te kopen.
Aan Bakker de taak om studenten van het Noorderpoort rond te leiden door de stad Groningen en ze de sporen van het slavernijverleden te laten zien. De mbo-school organiseert deze week tal van activiteiten rondom het onderwerp.
De jongeren die met Bakker door de stad kuieren, weten weinig over het onderwerp. ,,Ik heb les gehad over de slavernij en handelsroutes van de VOC en de WIC’’, zegt Nona (16) uit Harkstede. ,,Maar daar weet ik niet veel meer van.’’
Ze vindt het belangrijk om meer over de slavernij te leren. Sowieso hoopt ze dat er meer gepraat wordt over pijnlijke onderwerpen zoals racisme. ,,We hebben het er op school wel over gehad bij maatschappijleer. Daar ontdekte ik dat bijvoorbeeld racisme nog heel erg speelt.’’
Het hoofdkantoor van de Groningse afdeling van de WIC stond op de plek waar nu sportschool Trainmore huist aan de Munnekeholm. Aan de Vismarkt, op nummer 11, het pand waarin nu winkel Claudia Sträter zit, woonde de familie Stratingh-Feith. ,,Zij hadden aandelen in plantages en zijn daar heel rijk mee geworden’’, vertelt Bakker.
Keti Koti
,,Weten jullie waarom jullie deze wandeling nu doen?’’ vraagt Bakker de studenten als hij de groep verder leidt langs de oude pakhuizen aan de Hoge der A. ,,Omdat het moet?’’ antwoordt William (17) uit Schildwolde. ,,Klopt’’, antwoordt Bakker met een lach. ,,Maar ook omdat het aankomende vrijdag 1 juli is: Keti Koti. Dat is Surinaams voor ‘verbroken ketenen’. De dag waarop het einde van de slavernij wordt herdacht.’’
Op 1 juli 1863 werd de slavernij officieel afgeschaft. In Groningen wordt Keti Koti − met de ondertitel Emancipation Day voor de Caraïbische gemeenschap − dit jaar voor het eerst in de hele stad herdacht, met voorstellingen en tentoonstellingen over het slavernijverleden van Groningen zelf. Ook in de afgelopen maanden is daaraan aandacht besteed, onder meer in het Groninger Museum, Museum Nienoord in Leek en de Menkemaborg in Uithuizen, onder de vlag van het culturele manifestatie Bitterzoet Erfgoed.
In Drenthe wordt de afschaffing van de slavernij dit jaar voor het eerst in het openbaar herdacht in het gebouw van het Drents Archief in Assen.
Het voormalige hoofdkantoor van de Groningse 'kamer' van de West-Indische Compagnie, waar tot en met 2009 een postkantoor gevestigd was. Nu vindt sportschool Trainmore er onderdak. Foto: Corne Sparidaens
‘Nog altijd sprake van discriminatie door slavernijverleden’
Het herdenken en vieren van de afschaffing van de slavernij is ook 159 jaar na dato belangrijk, zegt Roberto Refos van het Comité 30 juni-1 juli Groningen, sinds 2018 betrokken bij Keti Koti in Groningen. ,,Tot op de dag van vandaag heeft het slavernijverleden invloed op onze samenleving. Nog altijd is er sprake van discriminatie op basis van dat verleden.’’
Refos is zelf van Surinaamse afkomst. ,,Kijk naar de politie en de marechaussee, die etnisch profileren. Of kijk naar de toeslagenaffaire of het onderwijs. Zelf kreeg ik, met prachtige cijfers en een goede Cito-score, een lts-advies op de lagere school. Want hoe haalde ik het in mijn hoofd dat ik naar de havo zou kunnen?’’
Ook voor kennis en bewustzijn binnen de eigen gelederen is het herdenken van het slavernijverleden belangrijk, stelt Refos. ,,Veel mensen uit Suriname en de Antillen weten weinig van hun geschiedenis. In Suriname werd lange tijd hetzelfde onderwijs gegeven als in Nederland, met dezelfde lesstof als witte Nederlanders kregen. Dan leer je er niets over.’’
Slavernijverleden in Drenthe
Hoewel er nog weinig onderzoek naar is gedaan, zijn er volgens historica en schrijver Barbara Henkes van de Rijksuniversiteit Groningen ook in Drenthe sporen van de slavernij te vinden. Zo zijn er meerdere landgoederen die gelinkt kunnen worden aan het slavernijverleden, omdat de families die er woonden bijvoorbeeld aandelen hadden in plantages. Zoals havezate Laarwoud in Zuidlaren, waar de bestuurdersfamilie Van Heiden woonde.
Ook landgoed Vennebroek in Paterswolde wordt in verband gebracht met de slavernij. ,,Daar woonde Joachim Alting’’, vertelt Henkes. ,,Hij was burgemeester van Groningen en medeoprichter van de universiteit. Maar hij was ook bewindhebber van de Groningse afdeling van de WIC.’’
Havezate de Havixhorst in Schiphorst, niet ver van Meppel. De adellijke familie die hier woonde, had banden met de slavernij. Foto: DVHN
Ook was er de familie De Vos van Steenwijk, die eeuwenlang de Havixhorst, niet ver van Meppel, bewoonde. Van afstammeling Jan Arend Godert de Vos van Steenwijk (1799-1872) is bekend dat hij een van de vele Nederlanders was die van de overheid financiële compensatie ontvingen voor de vrijlating van zijn slaven na de afschaffing van de slavernij. Volgens het Nationaal Archief ging het om 122 tot slaaf gemaakten van de plantage ’t Yland in Suriname.
Maar, stelt Henkes, als het gaat om het slavernijverleden moeten we verder kijken dan naar alleen directe betrokkenheid. ,,Het gaat ook om de fabrieken die koloniale grondstoffen verwerkten, de middenstand die suiker, koffie en thee verkocht, en om banken en verzekeraars. Overal werd winst gemaakt dankzij de gratis arbeid van tot slaaf gemaakten.’’
Anti-slavernijtoespraak in Hotel De Doelen
De wandeling met stadsgids Bakker eindigt na ongeveer anderhalf uur op de Groningse Grote Markt. De Brit John Scoble, een felle tegenstander van de slavernij, kwam in 1841 naar hotel De Doelen in Groningen op uitnodiging van een aantal Groningse heren. In een toespraak pleitte hij voor de afschaffing van slavernij in de Nederlandse koloniën.
Toch zou het nog tot 1848 duren tot de overheid besloot dat er een eind moest komen aan de slavernij. Daarna duurde het nog eens 15 jaar, tot 1863, voordat de Nederlandse slavernij in Suriname en het Caraïbisch gebied daadwerkelijk wettelijk werd afgeschaft.
Nederlandse slaveneigenaren ontvingen 300 gulden compensatie per tot slaaf gemaakte, de vrijgelaten mensen zelf ontvingen niets. Ook bleek de vrijheid relatief: na 1863 moesten de voormalige slaven nog 10 jaar verplicht doorwerken op de plantages, om de voor Nederland belangrijke plantage-economie op de been te houden.