Met zijn kleurrijke verendek is de bijeneter een aantrekkelijke vogel voor vogelspotters.
Spotters staan te popelen, want er vliegen steeds meer zeldzame vogels ons land binnen. Aanleiding is de toegenomen droogte in Zuid-Europa, waardoor de dieren ’doorreizen’ naar Nederland. „Het vogelvirus is het enige virus dat ik iedereen gun, het blijft iets magisch.”
Vogelwachter Adriaan Sleeuwenhoek (44) wrijft in zijn handen. „Ik zie steeds meer mooie tropische vogels in ons land. Neem de bijeneter. Die heeft echt prachtige kleuren. Ook de steltkluut is een bijzondere nieuwe soort. Dat dier is een steltloper, met heel lange poten en een mooie dunne, lange snavel.”
Vogelwachter Adriaan Sleeuwenhoek in een natuurgebied met zijn telescoop in de aanslag.
Voorheen waren zulke soorten nauwelijks in ons land te bewonderen. Zeker in de afgelopen tien jaar is dat aan het veranderen, constateert de Vogelbescherming. Dat geldt ook voor soorten als de hop (met een bijzondere kuif) en roofvogels als de slangenarend.
Spanje
De oorzaak is vooral de toegenomen droogte in Spanje, waardoor de vogels daar steeds lastiger een geschikte broedplek kunnen vinden. Sleeuwenhoek: „Deze vogels vlogen eerst vanuit Afrika naar Spanje om daar in moerassen te gaan broeden. Zo maakt de steltkluut een nest op een eilandje. Daar peuren ze met hun snavel in het slik, waar allemaal wormpjes en insecten te vinden zijn. Maar nu die moerassen meer zijn drooggevallen, zitten die diertjes er niet meer of is de grond hard geworden.”
Steltkluut
Nederland is intussen nog altijd een waterrijk land, vertelt Sleeuwenhoek. „We hebben mooie ontwikkelingsgebieden als de Dordtse Biesbosch, het Naardermeer en de Waverhoek.” En daar trekken de tropische vogels nu vaker heen.
’Genetische afwijking’
Aan de ene kant wordt de vogelspotter daar blij van. „Je kijkt je ogen uit. Ik spot al 35 jaar vogels, sinds mijn negende. Ik zie het als een genetische afwijking, want mijn vader is ook vogelaar.”
Lachend: „Het vogelvirus is het enige virus dat ik iedereen gun. Het blijft iets magisch, want het is elke keer weer een verrassing wat je tegenkomt. Je kunt actief op zoek gaan naar de beestjes en dan zie je ze niet en als je een dag later toevallig bij de stad rondloopt, zie je ze opeens over vliegen.”
’Onverwachte dingen’
Sleeuwenhoek heeft dit jaar dan ook al een steltkluut in Nederland gezien. „Dat beest doet onverwachte dingen. Als er een roofvogel, zoals een bruine kiekendief, over vliegt, vallen de steltkluten soms met z’n allen dat beest aan, terwijl het veel groter is. Dat is niet zonder risico. Ze zijn echt bereid hun leven te geven voor hun jongen.”
De spotter heeft op pad altijd zijn telescoop bij zich. „Die zet ik neer met een statief. Dat ding vergroot alles zo’n dertig tot zeventig keer. Dus als de vogel rustig blijft zitten, kun je hem heel goed bekijken. Ik maak dan ook mijn telefoon aan de telescoop vast en dan kan ik er filmpjes mee maken.” Hij organiseert ook lezingen en excursies.
Zorgen
Tegelijkertijd maakt de vogelwachter zich zorgen over de opmars van die tropische vogels. „Het zegt wel iets over de opwarming van de aarde dat ze in Spanje minder broedplekken vinden. En uiteindelijk is het een extra zware reis. Ze verzamelen precies zoveel energie als ze nodig hebben. Dus als ze opeens verder moeten vliegen naar Nederland, kunnen ze in de problemen komen met hun vetreserves. En dan kunnen ze soms overlijden als gevolg van uithongering. Bovendien kan er een concurrentiestrijd om de broedplekken in Nederland ontstaan, waardoor ze elkaar de tent uit vechten. Gelukkig hebben we voorlopig voldoende natuurgebieden hier.”
De bewondering van de vogelwachter voor de diertjes is dan ook groot. „Ik vind het zo stoer dat die beesten duizenden kilometers vanuit Afrika afleggen om hier te komen. Daarvoor mogen mensen wel meer oog hebben.”
’Plant bloemen’
Wat kunnen we als gewone Nederlanders dan doen om de vogels te helpen? Sleeuwenhoek: „Haal de tegels en het kunstgras weg uit de tuin. Plant bloemen en vlinderstruiken. Daar komen insecten op af en daarvan kunnen de vogels weer profiteren. En het is belangrijk dat ons land blijft investeren in natuurgebieden.”